Algemeen Belang en Imaginaire Getallen

Mijn bericht van vorige week, over hoe om te gaan met ambtelijke adviezen wanneer deze strijdig zijn met politieke opvattingen, heeft veel reacties opgeleverd. Dank daarvoor.

Vrijwel iedereen benadrukt het belang dat alle meningen over een maatschappelijk vraagstuk open en bloot op tafel moeten. Dat niet per se de politieke opvatting hoeft te domineren.

Vervolgens is het de kunst om via dialoog tot gezamenlijkheid te komen. Mocht dat niet lukken, dan zullen we toch alle opvattingen in beeld moeten houden. Maximale transparantie.

Voor het welslagen van een dialoog is het nodig dat de diverse gesprekpartners respectvol met elkaar omgaan en wederzijds begrip tonen voor de verschillende posities en verantwoordelijkheden. Dat heeft alleen kans van slagen in een veilige omgeving. Met name dit laatste punt kan in de praktijk weleens knellen.

Ik zal in mijn boek uitvoerig stilstaan bij de ‘ideale gesprekssituatie’, zoals die door Jürgen Habermas is geschetst. Zonder een dergelijke setting zal het niet mogelijk zijn om te komen tot – zoals hij dat noemt – ‘gedeeld begrip’. Ik denk dat dit streven noodzakelijk is om uiteindelijk het ‘algemeen belang’ te kunnen dienen.

Ik vind trouwens ‘algemeen belang’ een lastige term. Je voelt aan je water wat ermee wordt bedoeld, maar je kunt het niet echt vastpakken. Zoiets als imaginaire getallen in de wiskunde; ze bestaan niet echt, maar je kunt (en moet) er wel mee rekenen.

Het redactioneel commentaar van NRC van zaterdag 10 oktober over het stikstofbeleid wierp de vraag op: ‘Maar wie komt er op voor het algemeen belang?’ De meningen over (de gevolgen van) het stikstofbeleid vliegen alle kanten op. Vooralsnog is niemand in staat om de boel bij elkaar te brengen.

Opvallend trouwens de ‘politieke’ uitspraak van Willem-Alexander: ‘Het is niet een probleem voor de agrariërs, maar voor heel Nederland. Dat moeten we samen oplossen’. Ook hij houdt een pleidooi voor het dienen van het algemeen belang, als ik dat zo mag vertalen.

Natuurlijk ben ik nu erg benieuwd wat jij vindt van het ‘algemeen belang’. Bestaat het wel of niet? Als het bestaat, hoe ziet het er dan uit? Hoe kun je het construeren? Wat is daarvoor nodig? Of misschien vind je het wel een non-discussie.

Ik wacht je reactie met belangstelling af.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Een dilemma: wie heeft en wie krijgt gelijk?

Mag ik je het volgende dilemma voorleggen.

Toen ik wethouder was in de gemeente Schinnen hadden we op zeker moment discussie over de volgende vraag: ‘Moet een ambtenaar voordat hij een advies schrijft voor het College van B&W eerst overleg plegen met de verantwoordelijk wethouder over de strekking van dat advies?’

Antwoord 1: ja, want de wethouder is uiteindelijk verantwoordelijk en hij is ook degene die in de raadsvergadering dat standpunt moet verdedigen.

Antwoord 2: nee, de ambtenaar moet – gegeven zijn deskundigheid – het best denkbare advies schrijven, ook al is dat in strijd met de opvatting van de portefeuillehouder. Het staat de wethouder natuurlijk altijd vrij om een ander standpunt in te nemen.

Ik moet je zeggen dat ik toentertijd koos voor antwoord 1. Het is moeilijk om een ander standpunt dan het advies van een ambtenaar te verdedigen in een politiek debat met de gemeenteraad. De raad heeft weet van de besluitvorming op basis van de notulen van de collegevergadering. Dan begin je al met 1-0 achter. Dat is niet fijn.

Bij het schrijven van mijn boek ben ik goed gaan nadenken over de rollen van de verschillende actoren in de overheidsorganisatie. Daardoor ben ik gaan schuiven richting antwoord 2.

Het gaat er uiteindelijk om dat het best denkbare besluit wordt genomen ten behoeve van de samenleving. Als een ambtenaar daarover een advies uitbrengt dan mag dat niet om politieke redenen aan de kant worden geschoven. Dat advies moet overeind blijven.

Ik vraag me trouwens af of ambtenaren voldoende worden beschermd om zo te werken. Ik heb in ieder geval ooit als ambtenaar het tegendeel meegemaakt: herrie in de tent.

Nogmaals, de politiek verantwoordelijke is te allen tijde gerechtigd om een ander standpunt te verdedigen. De politiek heeft namelijk het laatste woord.

Als ambtenaar moet je gelijk hebben, als politicus gelijk krijgen.

Er is in dit verband nog een puntje waar ik tegenaan zit te hikken en dat is het volgende. In hoeverre is een ambtelijk advies 100% objectief (rationeel) of zitten daar ook subjectieve (en dus politieke) kanten aan? Als dat laatste het geval is, dan kom je in een grijs gebied terecht.

Vervelend, want ik hou van helderheid.

Ik vind het vraagstuk nog steeds moeilijk.

Hoe kijk jij hier tegenaan?

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld.

Wie is de regie kwijt?

Vorige week had ik het over de vraag of burgers boos zijn of dat ze misschien wel minachtend tegenover de politiek staan.

Torben wees me erop dat achter deze emotioneel beladen begrippen angstige burgers schuilgaan. Mensen die bang zijn voor ontwikkelingen als globalisering, invloed van andere culturen, verlies aan welvaart.

Ik denk dat dit klopt. Mensen verkeren in staat van onzekerheid en dat leidt tot verdriet, verontwaardiging, ongeloof, woede, teleurstelling en vul het rijtje maar aan.

Dit soort emoties zouden op zichzelf nog geen probleem hoeven te zijn. Ze worden dat als je de ongelukkige situatie niet kunt beïnvloeden. Pas dan ontstaat er angst, structureel onbehagen of een gevoel van onmacht.

Dat achterliggende gevoel speelt nogal wat burgers parten. Het gevoel dat je er niks aan kunt doen, het gevoel dat je geen grip meer hebt op de situatie.

Is dat niet ook wat mensen die ouder worden het meeste bezighoudt? Het gevoel te moeten inleveren en er niks aan te kunnen doen; het gevoel dat je de controle kwijtraakt; het gevoel dat je de grip op je leven en je leefomstandigheden verliest?

En politici dan? Hebben zij nog wel grip?

  • Hoelang wordt er al geroepen dat ‘ze’ uit de ivoren toren moeten komen? Ik hoor het nog steeds.
  • Hoeveel decennia beloven de lijsttrekkers voor de verkiezingen dat het aantal regels drastisch omlaag moet? Ze nemen alleen maar toe.
  • Staat het begrip ‘integriteit’ niet al sinds Ien Dales – minister van Binnenlandse Zaken van 1989-1994 – hoog op de agenda? Bijna elke dag haalt wel een verdachte politicus de krant.
  • Wordt nieuwe wetgeving weleens met kritiek ontvangen door met name de uitvoerders? Ja, na enkele jaren wordt het weer teruggedraaid ‘met de wetenschap van nu’.
  • Krijgen de bewindslieden hun ministeries of uitvoeringsorganisaties maar niet op het juiste rails? We kunnen regelmatig ‘genieten’ van de een of andere Haagse soap.
  • Waarom worden telkens weer adviezen gevraagd aan adviesorganen? Er worden meer aanbevelingen niet dan wel overgenomen.
  • Vanaf 1955 neemt het aantal mensen dat lid is van een politieke partij af. Er is geen trendbreuk in zicht.

Wie is de regie kwijt? De burger of de politiek?

Wie het weet mag het zeggen.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld.

GIVE ROOM TO THE OCEANS

GIVE ROOM TO THE OCEANS

Then the rising sea level can be lowered

© Dr. Leo Klinkers (leoklinkers@me.com)
Federal Alliance of European Federalists (FAEF)
© Dr. Emile Glans van Essen (Emile.vanEssen@worldsustainabilityfund.org)
World Sustainability Fund, World Federalist Movement Netherlands (WFBN)

The Hague, The Netherlands
7 October 2019

Introduction

Climate measures are based on combating the causes of rising temperatures and helping to slow down rising sea levels. But we do not know to what extent; nor do we know how long it will take. Meanwhile the living environments of 500 million people will be at risk as a result of rising water levels. In order not to wait patiently for this, we propose to give the oceans more space in strategic places on our planet. It seems an incredible story, but calculations show that by digging new seas, the rise in sea level can be reversed.

How can this be done?

In the Netherlands, river floods are prevented by giving them space. In the past ten years, the extensive Room for the River programme has been carried out for this purpose. In the same way, it is possible to halt or even reverse the rise in sea level. We are digging holes all over the world. We fill them with ocean water. Scientific calculations that will follow shortly show that it is possible to reverse the rise in sea level in this way.

Do you disagree? Here are the rules

We’re in the realm of science. We take a standpoint, supported by an argumentation and the associated figures. Those who disagree with this are invited to refute the correctness of the argumentation and the figures. This is required by law no. 1 of the scientific methodology. Remarks such as ‘this is not affordable,’ or ‘you don’t get political support for this’ or ‘what you say is just not right’ are outside the scientific order. Only a refutation of the argumentation and figures – recorded on paper so that all this can be verified – is valid. Saying that you don’t have the time or the sense to find out and write it all down gets the answer from law no. 2 of the scientific methodology, saying “Opinions can be proclaimed by anyone, but if you can’t write it down, then it doesn’t apply”.

Questions?

Demonstrating that by giving space to the oceans you can solve the problem of rising sea levels is the only purpose of this article. Of course, there are questions about the feasibility of this. And about the effects, desired and perhaps undesired. We mention these questions, but they cannot be answered. They are in the domain of other scientists. The most important questions will follow soon, with an appeal to other scientific groups to come up with the answers.

Willingness?

All we are asking for now is the willingness to take note of an unexpected solution to the problem of rising sea levels. Without shouting at once that this is unworkable nonsense. The regularly recurring alarm signals about the threats posed by the rise in seawater justify a quiet read about the solubility of this problem – in addition to the unconditional continuation of the climate agreements.

What does the earth have to do with?

We assume that the problem is well known: the emission of CO2 will lead to a global rise in temperature, causing the polar ice to melt, the sea level to rise and a lot of land to disappear under water. As a result, the lives and livability of millions of people are at risk. As well as the destruction of homes, buildings and infrastructure.

Climate agreements are based on combating the causes of the rise in temperature. That is a good thing. But we do not know whether this will slow down or even stop the melting of the ice. Nor do we know how long it will take before we can expect positive effects from this approach. But we do know that the sea level will rise if we do not succeed in making these two points manageable. We also know that in that case many people will lose their habitat. That is why we are proposing an approach that will completely solve the problem of rising sea levels in the short term: make way for the oceans by opening up deserts to seawater.

We shall now confine ourselves to describing a calculation model for the positive effects of opening one desert as an ocean overflow area: the Sahara. Of course, the size of the required catchment area can be divided among a number of desert areas worldwide. But taking the Sahara as an example makes it easier to understand why such a colossal intervention produces a colossal result.

How does the calculation work?

Strictly speaking, there is only one question: how many cubic meters of desert do we have to dig out in order to stop and even lower the rise in sea level? Because there is still uncertainty about the exact extent of the rise in heat – and it is therefore not known how high the rise in sea level will be – we use figures to show what the consequences are of a rise in temperature of 1.5 to 4 degrees Celsius. With bandwidths for the necessary depths and for the number of people whose livability is endangered. We base the calculation on the report ‘Mapping Choices. Carbon, Climate, and Rising Seas. Our Global Legacy’ (Climate Central, November 2015).

  • If the temperature rises by 1.5 degrees Celsius, the sea level rises by 2.9 meters, with band widths of 1.6 to 4.2 meters. It destroys the habitat of 137 million people, with bandwidths ranging from 51 to 291 million.
  • If the temperature rises by 2 degrees, the sea level rises by 4.7 meters, with bandwidths of 3.0 to 6.3 meters. It destroys the habitat of 280 million people, with bandwidths of 130 to 458 million.
  • If the temperature rises by 3 degrees, the sea level rises by 6.4 meters, with bandwidths of 4.7 to 8.2 meters. It destroys the habitat of 432 million people, with bandwidths of 255 to 597 million.
  • If the temperature rises by 4 degrees, the sea level rises by 8.9 meters, with bandwidths of 6.9 to 10.8 meters. It destroys the habitat of 627 million people, with bandwidths ranging from 470 to 760 million.

The assumption that 4 degrees rise in temperature does not provide a realistic picture of the future is not shared by the scientific community. In some places in the world the rise can even be more than 4 degrees.

How big and deep should the hole be?

We repeat: this is only an example for the digging of one large lake in the Sahara. If we also dig lakes in other deserts, the hole in the Sahara doesn’t have to be that big. This is just a question of the size of the total excavation work that needs to be carried out in order to radically solve the problem of rising sea levels.

Well, with a lake the size of 50% of America’s surface, the problem has been solved. That covers 4,917,000 km2. Rounded up to the top: 5 million square kilometers.

The other question is: how deep should it be? That depends on the extent to which the earth’s temperature rises. With a rise of only 1.5 degrees Celsius, a depth of 200 meters will suffice. But if the temperature unexpectedly rises by 4 degrees, then it must be 800 meters deep.

Digging more or less meters?

As will be the case with other deserts, the Sahara is above sea level. Where the excavation work has to take place, for example, at a height of one hundred meters above sea level, more needs to be excavated than just the depth of 200 to 800 meters. However, there are also deserts that lie below sea level. For example, the Danakil Depression in Ethiopia. It is 125 meters below sea level. This area is also known as the hottest place on earth and as the cradle where the first humans were born. It lies next to the Afar Triangle whose deepest point is no less than 155 meters below sea level.

What are the expected positive side effects?

First the questions about positive side effects. Later on, the questions related to feasibility.

Greening

The salty seawater evaporates and comes down in the form of fresh rainwater. It is known that desert soils preserve seed for centuries. As soon as it starts to rain, it germinates. That makes the desert green again. The effect is greater if one does not choose one large lake but a number of smaller lakes, fed by canals, where at the beginning of each canal provisions can be made to catch plastic. By not opting for one large lake, but a number of smaller ones, fed by canals from the sea, the greening effect is more effective because between the canals and lakes there is land instead of water.

  • Which scientific group can answer the question as to whether the thesis on the alleged greening is correct? If so, in which deserts can the effect be greatest, to which extent and at what speed?
Living and working

The greening of deserts provides openings for agriculture and cattle breeding. But also for industries, fishing and research into the minerals that emerge during digging. The excavated desert material can be used to build sea defenses elsewhere in the world where tsunami tidal waves and hurricanes cause flooding. With the construction of villages and the creation of jobs, the outflow of immigrants to Europe can be tempered.

  • Which scientific group can answer the question of whether the alleged greening of deserts does indeed create new opportunities for living, working and industry? And whether this will alleviate the problem of migration.
Cooling

The greening of deserts – enhanced by a clever distribution of several lakes and canals – will lower the world temperature. It is a fact that cities in warm areas become cooler as more greenery is created in the city. By giving space to the oceans in hot deserts, the greatest threat – i.e. the rise in temperature – is used to achieve the opposite: to cool down the earth. This is ‘making the causer the solver’.

  • Which scientific group can answer the question of whether the greening of deserts does indeed provide cooling; if so, how much and at what rate?
Polar ice repair

How big the cooling can be is unknown. We also do not know whether this cooling is sufficient to allow the polar ice to grow again. There are no figures available. We only know that by digging one or more lakes with a total size of 5 million square kilometers and a depth of 200 to 800 meters, not only will the rise in sea level disappear drastically, but perhaps also the temperature rise can stop and perhaps even decrease due to the creation of more greenery, which at the same time increases the absorption capacity of CO2.

  • What scientific group can answer the question of whether cooling due to the greening of deserts can have such an effect that – by increasing the absorption capacity of CO2 – it can temper the rise in temperature and thus slow down or perhaps even stop the melting of the polar ice?

So far, some questions about expected positive side-effects.

Other deserts

Besides the Sahara, other deserts can be used: the Great Arabian Desert (West Asia, 2,330,000 km2), the Gobi Desert (Asia, 1,300,000 km2), the Kalahari Desert (900,000 km2), the Great Victoria Desert (Australia, 647,000 km2). By spreading the number of lakes and supply channels over other parts of the world, there may be more suitable locations with less impact on climate-related issues such as wind currents.

For the sake of brevity, we are ignoring solutions such as the use of land that could easily absorb seawater, and the use of abandoned mines and underground car parks. The use of existing lakes that are slowly becoming dry – the Aral Lake and some lakes in China and Africa – is also left out of consideration. This article is only about the question: can we, by giving space to the oceans, compensate for the rise in sea level, yes or no? The answer is: yes, we can.

More CO2 and nitrogen?

The work will have to be done with the use of machines that produce CO2 and nitrogen. And thus, contribute to global warming and the production of fine particulates. This can be prevented by using solar energy – a new industry – to operate such machines. There is plenty of sunshine in these workplaces.

What are important questions about feasibility and possible negative side-effects?

Now the questions in relation to feasibility. There must also be an answer to possible negative side-effects.

Currents, winds, plants and fish

The effects of such a large-scale opening of one or more deserts on sea currents, trade winds, hurricanes and the regularly recurring phenomenon of El Niño are not yet known. Nor what the effect could be on life under water: the plants and fish.

  • Which scientific group can answer the question of whether the implementation of this idea has a negative influence on currents, winds, plants and fish? If so, which ones?
Salinization and groundwater

It is also not known what the effects could be of salinization in the vicinity of the ocean water flowing in. Nor the effect on the groundwater level.

  • Which scientific group can answer the question of whether the implementation of this idea has a negative impact on salinization and groundwater? And if so, which ones?
Sand

Another uncertain element is the nature of the sand in, for example, the Sahara. This has been polished around by ancient erosion and collapses as you stack it. Digging canals and lakes is one thing, making sure their walls don’t collapse is another. So special shoring facilities will be needed to keep the walls intact. For example, an invention that makes it possible to use Sahara sand in concrete. 

  • What scientific group can answer the question of whether the implementation of this idea poses particular problems in terms of the excavation and shoring work to be carried out? If so, what are they?
Fresh water

Digging to depths of 200 to 800 meters can lead to underground water reservoirs. We do not know how the salt and fresh water will behave, although it is known that saltwater is heavier and will sink to the bottom. If, however, freshwater reservoirs are actually drilled, this will mean the loss of the required number of cubic meters of desert that will have to be dug away in order to achieve the required decline in the sea. 

  • What scientific group can answer the question of how to act if freshwater reservoirs are encountered during excavation work?
Property rights and geopolitical tensions

Another uncertain aspect is the question whether countries that own a (part of a) desert are willing to participate in such a project. We also do not know whether the idea of such an operation would raise geopolitical tensions.

  • Which scientific group can answer the question of whether the implementation of this idea raises insurmountable legal issues of property rights and perhaps geopolitical tensions? If so, what are they?
Minerals

A question that arises from the previous one has to do with the fact that in the soil of deserts there is not only seed. Also precious minerals. Who can call himself the owner?

  • Which scientific group can answer the question of how to deal with the yield of minerals that emerge from excavation work?
Loss of life

We do not know what the effect will be on the lives of people, plants and animals in those deserts if one or more masses of water are created. The preservation of the sometimes centuries-old cultural-historical value of (living in) deserts is to be compared to the value of the life and the quality of life of – possibly – more than 500 million people. Here, governments are faced with the same considerations as in cases where villages have to disappear in favor of the construction of reservoirs to generate electricity.

  • Which scientific group can answer the question of whether the implementation of this idea has such a negative impact on the lives of people, plants, animals and cultural-historical values that this idea should be abandoned?
Digging

Even if the excavation work is spread over several deserts, it involves the construction of very large holes. The question that then arises is: who can handle it? Canada has the best miners in the world. They don’t shy away from digging huge holes. But, of course, the execution of such work will have to be a matter of cooperation between miners and related professions.

  • Which scientific group can answer the question of how the execution of the excavation work should be organized?
Costs

We do not know what such a major operation will cost. It is true that there is the possibility of a global CO2 tax for companies, but it is not known whether this will go ahead, nor what it could mean for the funding of the provision of space to the sea as described here.

  • Who can answer the question of how much such an operation will cost and whether it can be paid for from the proceeds of the CO2 tax for companies?

Who should be in charge?

Such an operation should be led by the body that implemented the Paris Climate Agreement. In close cooperation with the United Nations and the European Union.

Is this assumption correct? If so, who can arrange this? If not, who should be in charge?

Call for scientific action

We call on scientists working on this subject to provide information on the questions we have raised. 

GEEF RUIMTE AAN DE OCEANEN

Geef ruimte aan de oceanen

Dan kan de stijgende zeespiegel omlaag

© Dr. Leo Klinkers (leoklinkers@me.com)
Federal Alliance of European Federalists (FAEF)
© Dr. Emile Glans van Essen (Emile.vanEssen@worldsustainabilityfund.org)
World Sustainability Fund, World Federalist Movement Netherlands (WFBN)

The Hague, The Netherlands
7 October 2019

Inleiding

Klimaatmaatregelen gaan uit van het bestrijden van de oorzaken van temperatuurstijging en helpen om de zeespiegelstijging af te remmen. Maar we weten niet in welke mate; evenmin hoe lang dat duurt. Ondertussen lopen de leefomgevingen van 500 miljoen mensen gevaar door het stijgende water. Om dit niet lijdzaam af te wachten stellen wij voor om de oceanen meer ruimte te geven op strategische plaatsen op onze planeet. Het lijkt een ongelooflijk verhaal, maar berekeningen laten zien: door nieuwe zeeën te graven, kan de stijging van de zeespiegel ongedaan worden gemaakt.

Hoe dan?


In Nederland worden overstromingen van rivieren voorkómen door ze ruimte te geven. Bijvoorbeeld met de aanleg van overstroomgebieden. In de afgelopen tien jaar is daarvoor het omvangrijke programma Ruimte voor de Rivier uitgevoerd. Het is mogelijk om volgens dezelfde denkwijze de stijging van de zeespiegel te stoppen en zelfs ongedaan te maken. Wereldwijd graven we gaten. Die laten we vollopen met oceaanwater. Wetenschappelijke berekeningen die zo meteen volgen laten zien dat het mogelijk is om op die manier de stijging van de zeespiegel ongedaan te maken.

Niet mee eens? Dit zijn de spelregels


We bevinden ons in het domein van de wetenschap. Wij nemen een standpunt in, onderbouwd met een argumentatie en het daarbij horende cijferwerk. Wie het daar niet mee eens is wordt uitgenodigd om de juistheid van de argumentatie en het cijferwerk te weerleggen. Dat eist wet nr. 1 van de wetenschapsmethodologie. Opmerkingen in de trant van ‘dit is niet betaalbaar’ of ‘daar krijg je geen politiek draagvlak voor’ of ‘wat je zegt klopt gewoon niet’ liggen buiten de wetenschappelijke orde. Alleen een weerlegging van de argumentatie en cijfers – vastgelegd op papier zodat een en ander kan worden geverifieerd – is geldig. Zeggen dat u geen zin of tijd heeft om het allemaal uit te zoeken en op te schrijven krijgt het antwoord van wet nr. 2 van de wetenschapsmethodologie, luidend “Meningen verkondigen kan iedereen, maar als je het niet kunt opschrijven, dan geldt het niet.”

Vragen?


Aantonen dat je met het geven van ruimte aan de oceanen de stijging van de zeespiegel kunt oplossen is het enige doel van dit artikel. Natuurlijk rijzen er vragen over de uitvoerbaarheid daarvan. En over de effecten, gewenste en wellicht ongewenste. Die vragen benoemen wij, maar kunnen ze niet beantwoorden. Zij liggen op het terrein van andere wetenschappers. De belangrijkste vragen volgen straks, met een oproep aan andere wetenschappelijke groeperingen om de antwoorden te bedenken.

Bereidheid?


Het enige wat wij nu vragen is de bereidheid om kennis te nemen van een onvermoede oplossing voor het probleem van de stijging van het zeewater. Zonder meteen te roepen dat het onuitvoerbare flauwekul is. De regelmatig terugkerende alarmsignalen over de bedreigingen als gevolg van de stijging van het zeewater legitimeren om even rustig te lezen hoe de oplosbaarheid van dit probleem – naast de onvoorwaardelijke continuering van de klimaatakkoorden – in elkaar zit.

Waar heeft de aarde mee te maken?

Het probleem veronderstellen wij als bekend: door de uitstoot van CO2 hebben we te maken met wereldwijde temperatuurstijging, waardoor het poolijs smelt, de zeespiegel stijgt en veel land onder water gaat verdwijnen. Daardoor loopt het leven en de leefbaarheid van miljoenen mensen gevaar. Alsook de vernietiging van woningen, gebouwen en infrastructuur.

Klimaatakkoorden gaan uit van het bestrijden de oorzaken van de temperatuurstijging. Dat is een prima zaak. Maar we weten niet of daarmee het smelten van het ijs kan worden vertraagd of zelfs gestopt. We weten evenmin hoe lang het gaat duren voordat we van deze aanpak positieve effecten kunnen verwachten. Maar we weten wel dat de zeespiegel zal stijgen als het niet lukt om die twee punten beheersbaar te maken. We weten ook dat in dat geval veel mensen hun leefgebied zullen kwijtraken. Daarom het voorstel om een aanpak te kiezen die op korte termijn de stijging van de zeespiegel geheel oplost: geef ruimte aan de oceanen door woestijnen te openen voor het zeewater.

Wij beperken ons nu tot de beschrijving van een rekenmodel voor de positieve effecten van het openen van één woestijn als overstroomgebied voor de oceanen: de Sahara. Uiteraard kan de omvang van het vereiste overstroomgebied worden verdeeld over een aantal woestijngebieden wereldwijd. Maar door de Sahara als voorbeeld te nemen is het gemakkelijker om te begrijpen waarom een dergelijke kolossale ingreep een kolossaal resultaat oplevert.

Hoe zit de berekening in elkaar

Strikt genomen gaat het slechts om één vraag: hoeveel kubieke meter woestijn moeten we uitgraven om de stijging van de zeespiegel te stoppen en zelfs te laten dalen? Omdat er nog steeds onzekerheid is over de precieze mate van stijging van de warmte – en het dus ook niet bekend is hoe hoog de stijging van de zeespiegel gaat uitpakken – laten wij met cijfers zien wat de gevolgen zijn van een stijging van de temperatuur met 1,5 tot 4 graden Celsius. Met bandbreedten voor de noodzakelijke diepten en voor de aantallen mensen wier leefbaarheid in gevaar komt. Wij baseren de becijfering op het rapport ‘Mapping Choices. Carbon, Climate, and Rising Seas. Our Global Legacy’ (Climate Central, November 2015).

  • Bij een stijging van de temperatuur met 1,5 graad Celsius stijgt de zeespiegel met 2,9 meter, met bandbreedten van 1,6 tot 4,2 meter. Het vernietigt het leefgebied van 137 miljoen mensen, met bandbreedten van 51 tot 291 miljoen.
  • Bij een stijging van de temperatuur met 2 graden stijgt de zeespiegel met 4,7 meter, met bandbreedten van 3,0 tot 6,3 meter. Het vernietigt het leefgebied van 280 miljoen mensen, met bandbreedten van 130 tot 458 miljoen.
  • Bij een stijging van de temperatuur met 3 graden stijgt de zeespiegel met 6,4 meter, met bandbreedten van 4,7 tot 8,2 meter. Het vernietigt het leefgebied van 432 miljoen mensen, met bandbreedten van 255 tot 597 miljoen.
  • Bij een stijging van de temperatuur met 4 graden stijgt de zeespiegel met 8,9 meter, met bandbreedten van 6,9 tot 10,8 meter. Het vernietigt het leefgebied van 627 miljoen mensen, met bandbreedten van 470 tot 760 miljoen.

De veronderstelling dat een stijging van de temperatuur met 4 graden geen reëel beeld van de toekomst biedt wordt in wetenschappelijke kringen niet gedeeld. Op sommige plekken in de wereld kan de stijging zelfs meer dan 4 graden bedragen.

Hoe groot en diep moet dat gat zijn?

Wij herhalen nogmaals: dit is alleen een voorbeeld voor het graven van één groot meer in de Sahara. Als we ook meren graven in andere woestijnen hoeft dat gat in de Sahara niet zo groot te zijn. Het gaat hier alleen om de vraag: welke omvang moet het totale graafwerk hebben om de stijging van de zeespiegel radicaal op te lossen?

Welnu, met een meer ter grootte van 50% van de oppervlakte van Amerika is het probleem opgelost. Dat omvat 4.917.000 km2. Naar boven afgerond: 5 miljoen vierkante kilometers.

De andere vraag is: hoe diep moet dat meer dan zijn? Dat hangt af van de mate van stijging van de temperatuur op aarde. Bij stijging van slechts 1,5 graad Celsius kan worden volstaan met een diepte van 200 meter. Maar als de temperatuur onverhoopt stijgt met 4 graden dan moet het 800 meter diep zijn.

Meer of minder meters graven?

Net zoals het geval zal zijn met andere woestijnen ligt de Sahara boven de zeespiegel. Daar waar het graafwerk moet plaatsvinden op bijvoorbeeld honderd meter boven de zeespiegel moet dus meer worden afgegraven dan alleen de diepte van tweehonderd tot achthonderd meter. Er zijn echter ook woestijnen die beneden de zeespiegel liggen. Bijvoorbeeld de Danakil Depression in Ethiopië. Die ligt 125 meter beneden de zeespiegel. Dit gebied is ook bekend als de heetste plek op aarde en als de wieg waar de eerste mensen werden geboren. Zij ligt naast de Afar Triangle waarvan het diepste punt niet minder dan 155 meter onder de zeespiegel ligt.

Wat zijn de te verwachten positieve neveneffecten?

Eerst de vragen over positieve neveneffecten. Straks de vragen die met de uitvoerbaarheid te maken hebben.

Vergroening

Het zoute zeewater verdampt en komt in de vorm van zoet regenwater naar beneden. Het is bekend dat de woestijnbodems eeuwenlang zaad bewaren. Zodra het gaat regenen ontkiemt het. Dat maakt de woestijn weer groen. Dat effect is groter als men niet kiest voor één groot meer maar een aantal kleinere meren, gevoed door kanalen, waarbij men aan het begin van elk kanaal voorzieningen kan treffen om plastic op te vangen. Door niet te kiezen voor één groot meer, maar een aantal kleinere, gevoed door kanalen vanuit zee, is het vergroeningseffect effectiever omdat tussen de kanalen en meren land ligt in plaats van water.

  • Welke wetenschappelijke groepering kan antwoord geven op de vraag of de stelling over de vermeende vergroening juist is? Zo ja, in welke woestijnen kan dat effect het grootste zijn, in welke mate/soort en met welke snelheid?
Wonen en werken

Het vergroenen van woestijnen biedt openingen voor landbouw en veeteelt. Maar ook voor industrieën, visvangst en onderzoek naar de mineralen die bij het graven naar boven komen. Het uitgegraven woestijnmateriaal kan worden ingezet voor het bouwen van zeeweringen elders in de wereld waar vloedgolven door een   tsunami en orkaanwinden overstromingen veroorzaken. Met de aanleg van dorpen en de creatie van werkgelegenheid kan de uitstroom van immigranten naar Europa worden getemperd.

  • Welke wetenschappelijke groepering kan antwoord geven op de vraag of de vermeende vergroening van woestijnen inderdaad nieuwe mogelijkheden creëert voor wonen, werken, industrie? En of dit de migratieproblematiek verlicht.
Afkoeling

Het vergroenen van woestijnen – versterkt door een slimme spreiding van meerdere meren en kanalen – zal de wereldtemperatuur doen dalen. Het is een feit dat steden in warme gebieden koeler worden naarmate men meer groen in de stad creëert. Door in hete woestijnen ruimte te geven aan de oceanen wordt de grootste dreiging – te weten de stijging van de temperatuur – gebruikt om het omgekeerde te realiseren: afkoelen van de aarde. Dat is ‘van de veroorzaker de oplosser maken’.

  • Welke wetenschappelijke groepering kan antwoord geven op de vraag of vergroening van woestijnen inderdaad verkoeling oplevert; zo ja hoeveel en in welk tempo?
Reparatie poolijs

Hoe groot die afkoeling kan zijn is onbekend. Ook weten wij niet of die afkoeling voldoende is om het poolijs weer te laten aangroeien. Daarover zijn geen cijfers beschikbaar. Het gaat hier alleen om de vaststelling dat met het graven van één of meer meren met in totaal de omvang van 5 miljoen vierkante kilometers en een diepte van 200 tot 800 meter niet alleen de stijging van de zeespiegel radicaal verdwijnt, maar wellicht ook de temperatuurstijging kan stoppen en misschien zelfs kan afnemen wegens de creatie van meer groen, wat tegelijk het absorptievermogen van CO2 vergroot.

  • Welke wetenschappelijke groepering kan antwoord geven op de vraag of afkoeling als gevolg van vergroening van woestijnen een zodanig effect kan effect dat het – door verhoging van het absorptievermogen van CO2 – de temperatuurstijging tempert en daarmee het smelten van het poolijs vertraagt of misschien zelfs stopt?

Wij laten het bij deze vragen met betrekking tot te verwachten positieve neveneffecten.

Andere woestijnen

Naast de Sahara kunnen ook andere woestijnen worden ingezet zijn: de Grote Arabische woestijn (West Azië, 2.330.000 km2), de Gobi woestijn (Azië, 1.300.000 km2), de Kalahari woestijn (900.000 km2), de Grote Victoria woestijn (Australië, 647.000 km2). Door het spreiden van het aantal meren en aanvoerkanalen over ook andere delen van de wereld zijn er wellicht meer geschikte locaties te vinden met minder effecten op klimaat-gerelateerde zaken zoals bijvoorbeeld windstromen.

Wij gaan kortheidshalve voorbij aan oplossingen zoals het gebruik van gronden die gemakkelijk zeewater zouden kunnen absorberen, en de inzet verlaten mijnen en ondergrondse parkeergarages. Ook het gebruiken van bestaande meren die langzaam droog komen te liggen – het Aral meer en sommige meren in China en Afrika – laten wij nu buiten beschouwing. Het gaat in dit artikel uitsluitend om de vraag: kunnen we door middel van ruimte geven aan de oceanen de stijging van de zeespiegel wegwerken, ja of nee? Het antwoord is: ja, dat kan.

Meer CO2 en stikstof?

Het werk zal moeten geschieden met de inzet van machines die CO2 en stikstof produceren. En aldus bijdragen aan de opwarming van de aarde en de productie van fijnstof. Door dergelijke machines te laten werken op basis van zonne-energie – een nieuwe industrie – wordt dat voorkomen. Op die werkplekken is er zon genoeg.

Wat zijn belangrijke vragen over uitvoerbaarheid en mogelijke negatieve neveneffecten?

Nu komen de vragen in relatie tot de uitvoerbaarheid. Er moet ook een antwoord komen op mogelijke negatieve neveneffecten.

Stromingen, winden, planten en vissen

Het is vooralsnog niet bekend welke effecten een dergelijke grootschalige opening van een of meer woestijnen heeft op het vlak van zeestromen, passaatwinden, orkanen en het regelmatig terugkerend verschijnsel El Niño. Noch wat het effect kan zijn op het leven onder water: de planten en vissen.

  • Welke wetenschappelijke groepering kan antwoord geven op de vraag of de uitvoering van dit idee een negatieve invloed heeft op stromingen en winden? En zo ja, welke?
Verzilting en grondwater

Ook is niet bekend wat de effecten zouden kunnen zijn van verzilting in de omgeving van het binnengestroomde oceaanwater. Noch het effect op het grondwaterpeil.

  • Welke wetenschappelijke groepering kan antwoord geven op de vraag of de uitvoering van dit idee een negatieve invloed heeft op verzilting en het grondwater? En zo ja, welke?
Zand

Een ander onzeker element is de aard van het zand in, bijvoorbeeld, de Sahara. Dat is door eeuwenoude erosie rond geslepen en zakt in elkaar als je het opstapelt. Kanalen en meren graven is één ding, zorgen dat de wanden daarvan niet ineenzakken is iets anders. Er zullen dus speciale beschoeiingsvoorzieningen nodig zijn om de wanden intact te houden. Zoals bijvoorbeeld een uitvinding die het mogelijk maakt Saharazand te verwerken in beton. 

  • Welke wetenschappelijke groepering kan antwoord geven op de vraag of de uitvoering van dit idee bijzondere problemen met zich meebrengt op het punt van het te verrichten graaf- en beschoeiingswerk. En zo ja, welke?
Zoet water

Met graven tot diepten van 200 tot 800 meter kan men stuiten op ondergrondse waterreservoirs. We weten niet hoe het zoute en zoete water zich dan gaat gedragen, met dien verstande dat wel bekend is dat zout water zwaarder is en naar de bodem gaat zakken. Maar als daadwerkelijk zoetwaterreservoirs worden aangeboord betekent dat verlies van het vereiste aantal kubieke meters woestijn dat weggegraven moet worden om de vereiste daling van de zee te realiseren. 

  • Welke wetenschappelijke groepering kan antwoord geven op de vraag hoe moet worden opgetreden als men bij het graafwerk stuit op zoetwaterreservoirs?
Eigendomsrechten en geopolitieke spanningen

Nog een onzeker aspect is de vraag of landen die eigenaar zijn van een (deel van een) woestijn bereid zijn om aan een dergelijk project mee te werken. We weten ook niet of de idee van een dergelijke operatie geopolitieke spanningen kan oproepen.

  • Welke wetenschappelijke groepering kan antwoord geven op de vraag of de uitvoering van dit idee onoverkomelijke juridische vraagstukken inzake eigendomsrechten en wellicht geopolitieke spanningen oproept? En zo ja, welke?
Mineralen

Een vraag die voortkomt uit de vorige heeft te maken met het feit dat in de bodem van woestijnen niet alleen zaad zit. Ook kostbare mineralen. Wie mag zich daarvan de eigenaar noemen?

  • Welke wetenschappelijke groepering kan antwoord geven op de vraag hoe moet worden omgegaan met de opbrengst van mineralen die bij het graafwerk tevoorschijn komen?
Verlies van leven

Wij weten niet wat het effect is voor het leven van mensen, planten en dieren die zich in die woestijnen bevinden als er een of meer watermassa’s worden aangelegd. Het behoud van de soms eeuwenoude cultuurhistorische waarde van (het leven in) woestijnen komt in een vergelijking te staan met de waarde van het leven en de leefbaarheid van – mogelijk – meer dan 500 miljoen mensen. Hier staan overheden voor dezelfde afwegingen als in de gevallen waarin dorpen moeten verdwijnen ten gunste van de aanleg van stuwmeren die elektriciteit moeten opwekken.

  • Welke wetenschappelijke groepering kan antwoord geven op de vraag of de uitvoering van dit idee een zodanige negatieve invloed heeft op het leven van mensen, planten, dieren en op cultuurhistorische waarden dat men dit idee moet laten rusten?
Graafwerk

Zelfs als het graafwerk wordt gespreid over meerdere woestijnen gaat het om de aanleg van zeer omvangrijke gaten. De vraag die dan rijst is: wie kan dat aan? Canada beschikt over de beste mijnbouwers ter wereld. Die schrikken niet terug voor het graven van immens grote gaten. Maar natuurlijk zal de uitvoering van zulk werk een kwestie van samenwerking tussen mijnbouwers en daaraan gelieerde beroepen moeten zijn.

  • Welke wetenschappelijke groepering kan antwoord geven op de vraag hoe de uitvoering van het graafwerk georganiseerd zou moeten worden?
Kosten

Wij weten niet wat een dergelijke ingrijpende operatie zal kosten. Er is weliswaar sprake van de mogelijkheid dat er een wereldwijde CO2 – heffing voor bedrijven komt, maar of dat doorgaat is niet bekend, noch wat dat zou kunnen opleveren voor de bekostiging van het geven van ruimte aan de zee zoals hier beschreven.

  • Wie kan antwoord geven op de vraag hoeveel een dergelijke operatie zal kosten en of dit betaald kan worden uit de opbrengsten van de CO2 – heffing voor bedrijven?

Wie zou dit moeten leiden?
Een dergelijke operatie zou geleid moeten worden door de instantie die het Klimaatakkoord van Parijs heeft gerealiseerd. In nauwe samenwerking met de Verenigde Naties en met de Europese Unie. Klopt deze veronderstelling? Zo ja, wie kan dit dan regelen? Zo nee, wie zou dan de leiding moeten hebben?

Oproep aan wetenschappers
Wij roepen wetenschappers die zich met dit onderwerp bezighouden op om informatie te leveren over de vragen die wij formuleerden.

Wie dicht de kloof: politiek of samenleving?

Naar aanleiding van de eerste achterflaptekst van mijn boek kreeg ik een reactie van Peter die vond dat ik sterker moest benadrukken dat burgers boos zijn, zeer boos.

Ik heb die suggestie overgenomen in de tweede versie, waarop Berry voorstelde om ‘boosheid’ te vervangen door ‘minachting’.

Dit laatste begrip is heftiger. Immers, mensen die boos zijn hebben nog de hoop dat hun boosheid leidt tot verandering. Mensen die de politiek minachten hebben die hoop allang achter zich gelaten.

Dat vind ik erg pijnlijk. In mijn bericht van vorige week heb ik mijn ambitie al verwoord dat in een ideale samenleving iedereen lid is van een politieke partij. Hoe moet dat dan? Hoe kunnen we de kloof overbruggen?

Het SCP berichtte enkele weken geleden al dat de objectieve en subjectieve kwaliteit van het leven van Nederlanders hoog is, maar dat er grote hardnekkige verschillen tussen bevolkingsgroepen blijven bestaan (De Sociale Staat van Nederland 2019). Dat helpt dan denk ik ook niet echt om de kloof te dichten.

In de deze week verschenen editie van Demos is een artikel gepubliceerd met de titel ‘Rotterdam: van tweedeling naar meerdeling’. Sociale groepen worden daarin geclassificeerd naar niet alleen economische kapitaal (tweedeling), maar ook naar sociaal en cultureel kapitaal. Sociaal kapitaal heeft te maken met hebben van een netwerk (familie en vrienden) en cultureel kapitaal heeft betrekking op opleidingsniveau en culturele participatie.

Op deze manier ontstaan zes sociale groepen. Zie onderstaande tabel.

Bron: Demos, jrg. 35, nr. 8, September 2019

Ik vind het de moeite waard om vanuit deze classificatie naar maatschappelijke vraagstukken te kijken. Ik heb de schrijvers van dit artikel gevraagd of er ook inzicht bestaat in de relatie tussen deze sociale groepen en politieke participatie. Ik ben benieuwd naar hun reactie.

Ik kan me voorstellen dat mensen die behoren tot de sociale groep ‘precariaat’ (samentrekking van ‘precair’ en ‘proletariaat’) zich niet verbonden voelen met wie dan ook, laat staan met de politiek.

Maar dan komt de vraag bij me boven. Wie is er verantwoordelijk voor de positie waarin deze mensen verkeren? Zijn ze dat zelf, is dat de samenleving of is dat de politiek? Of misschien zoiets als pech?

Als je alles op het bordje van de politiek en de overheid legt maak je de kloof kunstmatig groot. De samenleving zou mijns inziens wat meer verantwoordelijkheid kunnen nemen om mensen die in een verdomhoekje zitten een steuntje in de rug te geven. Ik denk dat dit enorm helpt om de kloof te dichten.

Ben je dat met me eens? Heb je ideeën over hoe we dat praktisch vorm kunnen geven?

Ik hoor het graag.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Politieke partijen: een toekomst?

Ik dicht politieke partijen een belangrijke rol toe binnen onze democratische rechtsorde. Ik praat hier geregeld over met mensen in mijn omgeving. Steeds vaker hoor ik de opvatting dat politieke partijen hun langste tijd hebben gehad, dat het einde der tijd voor hen is aangebroken, dat we politieke partijen beter kunnen afschaffen.

Maar dan denk ik, als er geen politieke partijen zijn, dan ontstaat er een gat. En wat gebeurt er met dat gat? Juist ja, dat wordt opgevuld. Opgevuld met … politieke partijen.

Het kan natuurlijk zijn dat het mij niet lukt om buiten de kaders te denken. Maar misschien kun je me daarbij helpen en heb je er een andere opvatting over.

Voorlopig vind ik dus dat politieke partijen moeten blijven bestaan, maar ze kunnen niet blijven functioneren, zoals ze dat nu doen. De trend is dat het aantal leden van politieke partijen afneemt; dat is al begonnen in de jaren vijftig van de vorige eeuw.

Aan wie ligt dat? Aan de tijdgeest, de mensen, of aan de politieke partijen? Aan de tijdgeest kun je niks veranderen. Ik zou het wel mooi vinden als alle burgers lid zouden zijn van een politieke partij, maar de meesten hebben daar kennelijk geen trek in.

Met andere woorden, dan hebben de politieke partijen zelf de sleutel in handen. Waarom willen mensen zich niet bij een politieke club aansluiten? Wat stoot hen af? Waarom weten die politieke organisaties geen mensen aan zich te binden? Wat voor enge beelden roepen die partijen op?

Aan de beelden die ik heb, heb ik deze week eentje toegevoegd. Dat is het volgende.

We hebben tijdens Prinsjesdag kunnen vernemen dat er een overschot op de rijksbegroting is. Het geld klotst tegen de plinten. Provincies hebben financieel ook niks te klagen. Tegelijkertijd schreeuwen gemeenten om extra middelen. 

Tekorten zijn met name ontstaan in het sociale domein. Gemeenten krijgen een schamele €300 miljoen extra voor jeugdzorg voor de komende twee jaar. That’s it.

Het rijk heeft vanaf 2015 de verantwoordelijkheid voor jeugdzorg, maatschappelijke ondersteuning en participatie neergelegd bij gemeenten met als cadeautje een forse bezuiniging. 

En nu krijgen gemeenten hun begroting niet meer rond. Ze hebben al behoorlijk bezuinigd op voorzieningen voor de meest kwetsbaren in onze samenleving. Zelfs de kwaliteit van de groenvoorziening begint eronder te leiden. Steeds meer gemeenten zijn de wanhoop nabij.

Wat ik nu niet kan begrijpen is het volgende. Op lokaal niveau zijn landelijk georganiseerde politieke partijen actief, die hun makkers op gezaghebbende posities hebben zitten in het parlement en regering. Hoe kan dan zoiets gebeuren? Communiceren zij dan niet? Zijn ze op het hoogste niveau dan doof en blind? Het is voor mij een raadsel.

Als van de externe communicatie weinig aantrekkingskracht uitgaat en de interne communicatie tot niks leidt? 

Tsja, waarom zou je dan lid worden van een politieke partij?

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Standaarden van federalisme

Leo Klinkers, juli 2019
Federal Alliance of European Federalists

De inrichting van een staat

De wijze van inrichting van een staat is voor een groot deel bepalend voor de vraag of het volk binnen die staat zich gelukkig voelt. Met een goed gebouwde staatsinrichting is het niet anders dan met een goed geconstrueerde stoel of een goed bereide maaltijd. Op een verkeerd gemaakte stoel krijg je pijn in je rug en van een slechte maaltijd moet je braken. Het gaat om vakwerk, gebaseerd op standaarden.

Als we aannemen dat een democratisch ingerichte staat de minst slechte staatsvorm is (woorden van Churchill) dan nog zijn er constitutioneel en institutioneel verschillende verschijningsvormen. Nederland is een constitutionele monarchie in de vorm van een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Frankrijk is een republiek in de vorm van een gecentraliseerde eenheidsstaat. Duitsland is een republiek in de vorm van een federatie.

Ik heb het nu verder alleen over de inrichting van een federale staat en baseer wat hierna komt op het gedachtegoed van politiek-filosofen vanaf Aristoteles, gecombineerd met enkele voorbeelden uit de federale praktijk.

Volkssoevereiniteit als filosofisch uitgangspunt

Een federatie steunt op een filosofisch en een praktisch uitgangspunt. Het filosofische uitgangspunt gaat uit van volkssoevereiniteit. Dat wil zeggen, alle soevereiniteit berust bij het volk. Deze zin beheerste de Declaration of Independence van 1776 en de eerste federale constitutie in Amerika in 1787. Anders gezegd: toen werd voor het eerst in de geschiedenis van de Aarde een aantal politiek-filosofische overwegingen vervat in concreet bindend recht (constitutioneel) en een daaraan gehechte organisatievorm (institutioneel).

Wie niet accepteert dat de soevereiniteit bij het volk berust, aanvaardt dat alle macht in handen van een alleenheerser ligt. En dan is het volk altijd de pineut.

Vertegenwoordiging van het volk als praktisch uitgangspunt

Maar het volk kan niet elke dag op het plein bijeenkomen om alle beslissingen te nemen. Dus moet het worden vertegenwoordigd. Dat impliceert verkiezingen met de waarborg dat ze vrij zijn, in beslotenheid kunnen plaatsvinden en garanderen dat minderheden zich ook vertegenwoordigd weten. Dat laatste – vertegenwoordiging van minderheden – betekent dat verkiezingen op basis van een districtenstelsel met het adagium ’the winner takes all’ hoe dan ook vermeden moeten worden. Zie de ellende met het twee-partijenstelsel in Amerika en Engeland.

De federale staat van onder naar boven

De soevereiniteit van het volk speelt in lagen, van onderop. De eerste en onderste laag is de familie. Die kan autonoom beslissingen nemen. De familie heeft echter belangen en/of zorgen die zij zelf niet kan behartigen. Ze vraagt daarom aan een hogere laag – bijvoorbeeld een wijkorgaan – om enkele bevoegdheden van de familie te delen in de soevereiniteit van de familie om die belangen/zorgen te behartigen. Zo wordt een federale staat van onder naar boven opgebouwd. Van laag tot laag.

Een simpel voorbeeld: stel dat ter gelegenheid van de wereldkampioenschappen voetballen (vrouwen of mannen) velen in Nederland oranje willen kleuren maar niet één familie in de straat kan zorgen voor oranje in de hele straat, dan kan men een gelegenheidsorgaan in het leven roepen dat met een donatie van alle families in die straat zorgt voor een prachtig oranjetafereel.

Dat is federaal organiseren. Maar het federale orgaan dat zorgt voor oranje in de hele straat heeft niet de bevoegdheid om te beslissen dat op de gezamenlijke barbecue na de eindoverwinning alleen hamburgers mogen worden geserveerd, tenzij de bewoners van die straat die bevoegdheid aan dat federale orgaan hebben toegekend. De bevoegdheden van een federaal orgaan zijn altijd limitatief en nauwkeurig vastgelegd. Dat men in de praktijk steeds zal proberen om de grenzen daarvan op te zoeken en zelfs te overschrijden is niet een eigenschap van de structuur van een federatie maar van de kwaliteit van de personen die binnen een federatie zoeken naar steeds meer macht. Dat is een eigenschap van politiek functioneren en niet van federaal organiseren.

De belangrijkste waarden van een federale staat: vrijheid en geluk

De belangrijkste waarde die de federale staat dient te waarborgen is het steunen van het volk om in vrijheid zijn eigen geluk na te streven. Niet meer en niet minder. Om de essentie daarvan duidelijk te maken heb ik onlangs een (nieuwe) preambule voor een Europese federale constitutie geschreven.

Een preambule van een constitutie beschrijft de waarden die bewaard en bewaakt dienen te worden. Vervolgens bepalen de artikelen van de constitutie hoe dat bewaren en bewaken zal worden gegarandeerd.

Die begrippen ‘vrijheid’ en ‘geluk’ speelden een centrale rol bij de Declaration of Independence van 1776 en de eerste federale constitutie elf jaar later in 1787. Het begrip ‘vrijheid’ werd toen de basis van die regels in de constitutie die de ‘checks and balances’ zouden gaan heten. Zoals de Engelsen in 1215 koning Jan Zonder Land in de Magna Carta de wacht hadden aangezegd, en de Nederlanden in 1581 met het Traktaat van Verlatinghe adieu zeiden tegen de Spaanse overheerser, zo zeiden de dertien kolonies in Amerika in 1776 dat ze niet langer de Engelse koning wensten te gehoorzamen. Maar zeggen dat je vrij wil zijn is één, ervoor zorgen dat dit rechtens geldend is, dat is twee. En dat deden ze met die federale constitutie. 

Ze wisten van filosofen als Aristoteles en Rousseau wat volkssoevereiniteit betekende, ze wisten van Althusius wat de bouwstenen van federaal denken waren, ze wisten van Montesquieu wat de trias politica inhield en ze bedachten voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid een staatkundige vorm waarin die verschillende stukjes van de politiek-filosofische puzzel in elkaar werden gelegd. 

De ‘trias politica’ en de ‘checks and balances’

Maar de ‘trias politica’ zijn slechts twee woorden. De achterliggende betekenis luidt: ‘Gij zult de drie machten van de staat – de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht – uiteen houden om te voorkomen dat de een de ander gaat overheersen en weer alleenheerschappij in het leven roept.’ Echter, ze wisten ook dat het onvermijdelijk zou zijn dat die drie machten zich af en toe op andermans terrein zouden moeten begeven. Dus de truc was: bouw zogeheten ‘countervailing powers’ in. Dus als een van de machten op het terrein van een andere zou moeten opereren, zou die andere macht moeten beschikken over de bevoegdheid om die ene weer terug in zijn hok te duwen.

Ze ontwierpen daarvoor een briljant stelsel van checks and balances binnen een briljante constitutie. Het belangrijkste aspect van de briljante constitutie was: zo weinig mogelijk artikelen maken. Dus geen millimeter regels creëren die over de belangen van de individuele staten zouden gaan. Uitsluitend het algemeen belang van de dertien gezamenlijk regelen. Dus maakten ze een constitutie van slechts zeven artikelen met als kern a) de countervailing powers van de dertien staten tegenover het federale orgaan, b) de countervailing powers tussen de drie machten binnen elke staat (let wel, in een federatie blijven de lidstaten zelfstandig en hebben ze elk hun eigen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht) en c) de countervailing powers tussen de drie machten op federaal niveau.

Klein voorbeeld uit de Amerikaanse constitutie die Herbert Tombeur en ik in het ontwerp van de Europese federale constitutie hebben overgenomen (zie onze European Federalist Papers 2012-2013): de wetgevende macht bestaat uit het Huis van de Burgers en de Senaat. Beide kunnen wetten ontwerpen. Als het Huis een wet ontwerpt moet het worden voorgelegd aan de Senaat. Als die het verwerpt, moet men opnieuw beginnen. Als beide Kamers het met elkaar eens zijn gaat het naar de President. Die moet binnen tien dagen beslissen: akkoord of een beargumenteerd veto. Indien een veto, dan terug naar het Huis die het ofwel weggooit of wel met tweederde meerderheid opnieuw aanvaardt, al dan niet na bijstelling op basis van de argumenten van de President. Dan weer naar de Senaat, zelfde procedure. Als beide organen het met elkaar eens zijn moet de President het ook aanvaarden. 

Deze structuur is volmaakt transparant. Of die tegemoetkomt aan de waarde dat de staat het volk dient te steunen om in vrijheid zijn geluk na te streven, is niet afhankelijk van die structuur maar – nogmaals – van het kwaliteitsniveau van de personen in die structuur. Op dit moment mogen we vaststellen dat de Amerikaanse president door een achterhaald en daarom achterlijk systeem van verkiezingen linksom en rechtsom probeert de alleenheerschappij te krijgen. Maar juist door het ingenieuze stelsel van checks and balances wordt hij nog steeds op zijn plaats gezet.

Alleen als het hem lukt een internationaal conflict – na provocaties – zodanig op te werken dat het een gewapend conflict wordt, vallen hem constitutioneel diverse ‘emergency wetten’ toe. En dan zijn de rapen gaar, want dan hoeft hij aan niemand meer verantwoording af te leggen. Snel de-escalerend handelen is nu geboden. Hoewel, als het al gaat lukken om het door Trump zelf gecreëerde conflict met Iran te de-escaleren, dan nog begint hij meteen aan een nieuw conflict omdat hij weet dat hij alleen de alleenheerschappij kan vestigen als hij de emergency wetten in handen krijgt. Anderzijds acht ik het denkbaar dat hij dan binnen Amerika een nieuwe burgeroorlog start die hij hoe dan ook zal verliezen. 

De kern van een democratische rechtsstaat

Als bestuurder verantwoording afleggen tegenover een volksvertegenwoordiging is de kern van een democratische rechtsstaat. Een ander woord voor rechtsstaat is de ‘rule of law’. Dat betekent: ‘koning, keizer, admiraal, de wet geldt voor allemaal.’ Niemand staat boven de wet. Als er één beginsel is dat men in de gaten moet houden dan is het dit wel. Het is een en ondeelbaar met federalisme. En daarmee de absolute tegenhanger van het intergouvernementalisme van de Europese Unie.

In dat intergouvernementalistische systeem nemen bestuurders – gebaseerd op een verdrag in plaats van een constitutie – alle belangrijke, de burgers bindende, beslissingen zonder zich daarvoor te hoeven verantwoorden tegenover een door het volk in vrijheid gekozen transnationaal parlement. Rousseau maakte al duidelijk dat binnen een democratie altijd de neiging zal bestaan om er een ‘electieve aristocratie’ van te maken die vervolgens altijd door-neigt naar een oligarchie. En op die manier in kleine kring de belangrijkste functies onderling verdeelt.

Deze neigingen zijn in elke democratische staat tot op zekere hoogte het geval. Ook in Nederland. In wetenschappelijk onderbouwde cijfers: circa 2,5 % van de kiesgerechtigden (circa 300.000 personen) verdelen onderling de belangrijkste posten in de politieke, bestuurlijke en ambtelijke organen, in de vaste en ad hoc commissies, in de wetenschap en in het bedrijfsleven. Een Regeerakkoord versterkt dat proces ten nadele van de kracht van het parlement dat er moet zitten als vertegenwoordiger van het adagium ‘alle soevereiniteit berust bij het volk’ wat impliceert dat de uitvoerende macht altijd verantwoording aflegt aan het parlement. Maar in werkelijkheid zit het parlement er om de voorgekookte maatregelen van het Regeerakkoord te dekken. Alleen als een minister het te bont maakt stuurt men die weg. De manier waarop de uitvoerende macht bepaalt wat de wetgevende macht van de Tweede Kamer moet vinden en beslissen heeft inmiddels ook het besluitvormingsspectrum van de Eerste Kamer bereikt. Die is niet langer een orgaan dat los van de politieke waan van de dag beoordeelt of een wet wel of niet deugt, maar volgt – weliswaar vaak onder protest – wat het Regeerakkoord voorschrijft.

Dit speelt in extreme mate in een intergouvernementalistisch systeem zoals dat van de Europese Unie. Kijk nog maar eens naar de manier waarop twee tot drie bestuurders van de Europese Raad onlangs de door het Europese parlement geoormerkte Spitzenkandidaten terzijde schoof voor een voorzitter van de Europese Commissie die geen gevaar voor de ongeremde macht van de Europese Raad zou kunnen vormen.

Elk intergouvernementalistisch systeem gaat op den duur kraken en piepen, er ontstaan conflicten omdat er top-down wordt geregeerd zonder verantwoording, lidstaten houden zich niet aan de verdragsrechtelijke afspraken, besluiten worden niet genomen vanuit een visie op het algemeen Europese belang van de gezamenlijke lidstaten maar op basis van een uitruil van nationale belangen van natiestaten. En dan is het wachten op het ontsteken van de lont in het kruitvat.

De Conventie van Philadelphia

Tussen 1776 en 1787 hadden de 55 leden van de Conventie van Philadelphia dit al snel in de gaten. De dertien staten stonden op het punt om elkaar gewapend te lijf te gaan. Wat deed men toen? In strijd met de opdracht om de fouten in het verdrag te repareren gooiden ze het verdrag weg en bedachten ze in twee weken de basis voor wat ik hierboven heb beschreven. Ze namen nog enkele maanden de tijd om een en ander uit te werken en legden het als een ontwerp federale constitutie voor aan het volk van de dertien staten. Als het volk van negen staten akkoord zou gaan dan zou de federatie rechtens in werking treden. En dat vond in 1789 plaats.

Federalisten maken al vele tientallen jaren een klassieke fout in hun streven naar een federaal Europa. Een fout die hardnekkig het beoogde resultaat – een federaal Europa – blokkeert. Dat is het steeds weer zinloze pogen om de verdragsrechtelijke basis van het intergouvernementele EU-systeem zodanig aan te passen dat het vanzelf een federatie wordt. Welnu: je kunt van mening verschillen over de vraag of een appel lekkerder is dan een peer, maar het heeft geen zin om van mening te verschillen of je van een appeltaart een perentaart kunt maken.

Voor de creatie van een federaal Europa geldt maar één pad en dat is exact dezelfde procedure volgen die de founding fathers van de Conventie van Philadelphia in 1787 deden: het verdrag in de prullenbak gooien, er nooit meer naar omkijken en vanuit het gedachtegoed van de Europese filosofen een federale constitutie ontwerpen conform de standaarden die daarvoor gelden: van, voor en door het volk. Ik kan het ook anders formuleren: omdat de standaarden bekend zijn maar er tweehonderd jaar na de eerste federatie van 1787, en zeventig jaar na de Tweede Wereldoorlog, nog steeds geen Europese federatie bestaat, dan is er dus altijd op een verkeerde manier geopereerd. Tijd om op te houden met het rondpompen van meningen en eens goed te gaan studeren op hoe het dan wel moet. Namelijk zoals ze dat in 1787 deden.

Precies dezelfde procedure moet men hanteren voor de Verenigde Naties. Ophouden met zinloze pogingen om het UN-Charter aan te passen zodat de UN eindelijk een federaal orgaan kan worden dat zorgt voor enkele gemeenschappelijke belangen die individuele lidstaten niet langer in hun eentje kunnen behartigen. Alle energie die men richt op een verkeerde constructie leidt alleen maar tot meer pijn in de rug en de noodzaak om te braken. Met als verschijningsvormen onder meer de zestig miljoen vluchtelingen in kampen en de duizenden vluchtelingen die in de Middellandse Zee verdrinken. De recente oproep van de Verenigde Naties aan de Europese Unie om het redden van vluchtelingen in die zee te hervatten markeert de betekenisloze zeggenschap van beide intergouvernementalistische besturingssystemen. Ze zijn aan het einde van hun politieke levenscyclus en horen daarom in de prullenbak. Systeemfouten van een niet-functioneel verdrag proberen te repareren leidt slechts tot nieuwe problemen in de reeks 2-4-8-16 en zo voort.

Het begrip ‘federalisme’ en de belangrijkste standaarden

Voor alle zekerheid nog even dit. Federalisten hebben de onuitroeibare neiging om zich in eindeloze debatten uit te spreken over beleidsonderwerpen. Er bestaat echter geen federaal landbouwbeleid, geen federaal migratiebeleid, geen federaal onderwijsbeleid en zo voort. Je hoeft geen federalist te zijn om een bepaalde visie op een bepaald maatschappelijk onderwerp te hebben. Anders gezegd: federalisme gaat niet over specifiek beleid maar uitsluitend over de manier waarop men juridisch en organisatorisch de samenwerking tussen zelfstandige entiteiten regelt. Als het om een combinatie van staten gaat is het staatsinrichting. Als het om private samenwerking gaat, zoals bijvoorbeeld de relatie tussen individuele voetbalclubs, hun nationale federale bond, hun Europese bond van de UEFA en hun FIFA als wereldbond, dan praten we over een private federatie. Daarvan bestaan er vele honderden in Europa. Grote en kleine. Maar er is na tweehonderd jaar zeuren en zaniken nog steeds geen federaal Europa. Waarom niet? Omdat er geen vakwerk wordt geleverd.

Het leveren van vakwerk vereist: a) fundamentele kennis verwerven over elementair federalisme (dus de opdracht educating the federalists), b) de organisatiegraad van alle losse federale bewegingen verhogen (dus federating the federalists) en c) met de standaarden van federalisme een federaal Europa bouwen (dus standard operationele procedures hanteren). En nul komma nul energie besteden aan zaken die er niets mee te maken hebben.

Niet alleen bestaat er geen federalistisch beleid, er is ook niet – anders dan wat nogal wat federalisten beweren – een diversiteit aan federale systemen. Zo hebben sommigen het over Dual Federalism, Co-operative Federalism, Competitive Federalism, Fiscal Federalism, New Federalism en andere bedenksels. Flauwekul.

Er is slechts één begrip ‘federatie’, gebaseerd op standaarden. Als die standaarden voor 100% worden nagevolgd is het een sterke federatie. Als men die standaarden niet voor 100% wil of kan navolgen – zoals bijvoorbeeld het geval is met de Belgische federatie – dan hebben we te maken met een zwakke federatie. Naarmate men verder afwijkt van de standaarden wordt het risico groter dat de federatie in elkaar zakt. Dat is een paar maal gebeurd in Afrika, Azië en Europa. Niettemin leeft inmiddels 40% van de wereldbevolking in 27 – deels sterke, deels zwakke – federaties. Het is deze, van de standaarden afwijkende manier van praten over federalisme die sommige federalisten tot de misvatting heeft gebracht ‘dat de intergouvernementalistische EU toch ook wel op een federatie lijkt’.

De belangrijkste standaarden zijn:

  • Het volk van een verzameling zelfstandige staten besluit een federatie te vormen. Zij doen dat omdat er inmiddels belangen en zorgen zijn die individuele staten niet langer zelf kunnen behartigen.
  • Het volk van de lidstaten ratificeert een federale constitutie – van, voor en door het volk – die de limitatieve bevoegdheden van het federale orgaan vastlegt en de artikelen die de checks and balances waarborgen.
  • De lidstaten zelf blijven soeverein, zelfstandig met hun eigen culturele identiteit, dus met eigen parlement, regering, rechterlijke macht, eigen monarchie indien aanwezig, eigen belastingstelsel, eigen beleidsdomeinen.
  • Ze laten een federaal orgaan delen in die soevereiniteit door middel van verticale scheiding van bevoegdheden. Dat wil zeggen: het federale orgaan mag met de bevoegdheden van de lidstaten die limitatieve zaken behartigen waarvan de lidstaten zeggen: “Alsjeblieft, wil jij dat voor ons behartigen want wij kunnen dat niet langer zelf verzorgen.
  • Zowel de lidstaten als het federale orgaan hebben een parlement. De uitvoerende macht van het federale orgaan legt daaraan verantwoording af.
  • De leden van het federale parlement worden – anders dan wat bijvoorbeeld het geval is in Amerika – transnationaal op basis van evenredige vertegenwoordiging verkozen.
  • Wat het beleid van die federale staat zal zijn hangt af van de leden van dat parlement. De politieke samenstelling van het parlement bepaalt of Europa een fort zal zijn of dat men open grenzen hanteert. Of een gezamenlijk leger wel of niet zal worden ingezet in conflictgebieden. Of men de sancties jegens andere staten voortzet of afschaft. Of men landbouwsubsidies afbouwt of niet.
  • Men kan wel spreken van ‘het beleid van een federatie’, maar niet van ‘federalistisch beleid’.

Binnen het hanteren van standaarden is er ruimte om te variëren. Twee voorbeelden. In de ene federatie kan men besluiten dat buitenlandse zaken in zijn geheel op federaal niveau moet liggen. In andere federaties, bijvoorbeeld in België, heeft men buitenlandse zaken weliswaar als een door de federatie te behartigen gemeenschappelijk belang aangemerkt, maar mogen Vlaanderen en Wallonië een eigen buitenlands beleid voeren voor onderwerpen die niet onder het federale gezag vallen. Een ander voorbeeld betreft het belastingsysteem. Normaal gesproken wordt er binnen een federatie een fiscale unie gebouwd. Zoals bijvoorbeeld in Amerika. De lidstaten heffen belasting voor het federale orgaan en dragen die dus af. Het federale orgaan keert gelden uit aan de lidstaten voor investeringen of calamiteiten. In de praktijk kan het dan zijn dat een lidstaat het ene jaar meer federale belasting opbrengt dan uitkeringen terugkrijgt en het volgende jaar de omgekeerde situatie. De lidstaten zelf houden hun eigen belastingsysteem en mogen daarmee concurreren. Texas bijvoorbeeld probeert met lage tarieven bedrijven en personen te lokken uit Californië dat de hoogste tarieven heeft. Deze voorbeelden slaan dus alleen op ruimte die binnen vaste standaarden voor de bouw van een federatie bestaan.

Kortom: streven naar een federaal Europa is uitsluitend het vakkundig bouwen van een veilig en duurzaam huis. Welke meubels in dat huis moeten staan is geen eigenschap van een federatie, maar van de smaak van degenen die erin gaan wonen.

Onze opdracht en taak

En dat – de bouw van het federale huis – is wat er nu alsnog in Europa moet gebeuren: nul komma nul energie besteden aan de zinloze pogingen om het Verdrag van Lissabon om te bouwen tot een federatie. Dat zal de interne conflictueuze stand van zaken, de externe zwakke geopolitieke positie en de antagonistische samenwerking op beleidsonderwerpen die vanuit het algemeen belang beschouwd moeten worden, nog erger maken dan nu al het geval is.

Hier ligt ook een opdracht aan de wereldfederalisten om op te houden met pogingen om het Charter aan te passen en vooral ook stoppen om alle energie kwijt te raken in beschouwingen over beleidsonderwerpen, hoe essentieel die ook voor het voortbestaan van onze Aarde zijn. Die belangrijke onderwerpen kunnen alleen worden behartigd binnen een staatsinrichting die vanuit het gezamenlijk belang van de lidstaten ageert.

Als landen willen en moeten samenwerken, maar niet langer in staat zijn sommige belangen of zorgen in hun eentje te behartigen en toch soeverein willen blijven, dan kan alleen een federale staatsvorm daarvoor garant staan. Een intergouvernementeel besturingssysteem kan dat niet. Ervoor zorgen dat Europa een federatie wordt, het bouwen van een federaal huis waarbinnen die beleidsonderwerpen in goede handen zijn, dat is de taak waarvoor we staan.

Die taak kan alleen succesvol worden vervuld als de aanpak van het streven naar een federaal Europa veranderd conform het adagium: ‘Als je vandaag blijft doen wat je gisteren ook al deed, dan krijg je morgen dezelfde resultaten die je vandaag ontving. Als die resultaten je niet bevallen, dan moet je vandaag veranderen. Dan krijg je morgen andere resultaten. Veranderen begint bij jezelf. Als je dat niet doet, waarom zou je buurman dan willen veranderen?’

Ik hoop dat deze korte notitie enige helderheid verschaft over standaarden van federalisme. Onderbouwende informatie is te vinden in ‘Verbondenheid, Veiligheid en Voorspoed’. Daarin staat ook een ontwerp van een tien artikelen tellende federale constitutie voor Europa en een scenario voor een Conventie van Burgers conform de opzet van de Conventie van Philadelphia in 1787, de founding fathers van de eerste federale constitutie.

Democratie en de voorbeeldfunctie van politici

Ik heb vorige week de vraag gesteld ‘Wat versta jij onder democratie?’

Je kunt de definitie van het begrip ‘democratie’ niet beperken tot: ‘het bieden van de mogelijkheid aan burgers om in vrijheid hun stem uit te brengen om een volksvertegenwoordiging te kiezen.’

Dan zou je kunnen zeggen dat land A democratisch is en land B niet. We kennen ook wel de voorbeelden van landen waar verkiezingen worden georganiseerd, maar die we nauwelijks democratisch kunnen noemen. Misschien kun je wel meten hoe democratisch een land is. Maar wat zijn dan de indicatoren?

Er zijn in ieder geval twee indexen ontwikkeld: Democratie-index van The Economist en een jaarlijks rapport Freedom in the World van Freedom House.

Aan de hand van de reacties die ik afgelopen week heb ontvangen heeft democratie te maken met vrijheid, gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid, verantwoordelijkheid, betrouwbaarheid, geborgenheid.

Ik schreef vorige week ‘Het handelen van politici bepaalt hoe de democratie wordt ervaren’. Door hun gedrag beïnvloeden ze burgers over wat zijn nog normaal vinden of niet normaal. Ideeën worden salonfähig gemaakt, waarvan je dacht dat die eeuwig verwerpelijk zouden zijn.

Na het zoveelste schietincident op een school komt Donald Trump met het voorstel om leraren te gaan bewapenen. Dat is toch een absurd idee? Dan ga je toch weer een volstrekt onacceptabele grens over?

Ik moest hieraan denken toen deze week Erik Akerboom – de korpschef van de Nationale Politie – eiste dat de politie stroomstootwapens mag gaan gebruiken. Dit naar aanleiding van een incident in Rotterdam waarbij een agent werd neergeslagen.

Dit is natuurlijk niet vergelijkbaar met de opvatting van Trump, maar toch wordt ook hier weer een grens opgeschoven: geweld beantwoorden met nog meer (legaal) geweld.

Dit is natuurlijk geen echte oplossing, ook al snap ik dat Akerboom zijn mensen meer wil beschermen. Ik schat ook in dat de publieke opinie achter deze opvatting staat.

Maar moeten we hier blij mee zijn? Nee, zeker niet. We moeten we het vraagstuk bij de bron aanpakken.

Waar komt dat geweld vandaan? Of in mindere ernstige vorm, waarom neemt de hufterigheid in de samenleving toe? Er lijken steeds meer korte lontjes rond te lopen. Respect voor mensen in gezaghebbende functies neemt af.

Hoe gedragen mensen met een voorbeeldfunctie zich als het gaat om (ik herhaal) vrijheid, gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid, verantwoordelijkheid, betrouwbaarheid, geborgenheid? Zit daar dan de bron? En wordt het tijd dat we daar iets aan gaan doen?

In deze video ‘Hoe belangrijk is de voorbeeldfunctie’ legt mijn college Leo Klinkers uit hoe dat zit.

Reacties zijn natuurlijk weer welkom.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Hoe beschermen we waarden?

Leo Klinkers, September 2019
Coöperatie SamenWereld

Het weerloze karakter van waarden
De Nederlandse dichter Lucebert schreef in 1953: “Alles van waarde is weerloos.” Echter, hoe weerloos iets van waarde ook is, toch willen mensen die zo goed mogelijk bewaren: foto’s van onze ouders in een album, juwelen in een kluis, geld op de bank, verse melk in de koelkast, een baby in een veilige wieg. We zoeken steeds naar een goede plek om de weerloze en kwetsbare aard van waardevolle dingen zo goed mogelijk te beschermen.

In dit artikel concentreer ik me op

  • de bescherming van waarden,
  • binnen het perspectief van volkssoevereiniteit in de zin van: ‘Alle soevereiniteit berust bij het volk’,
  • die georganiseerd moet worden in de zin van vertegenwoordiging van het volk omdat het volk niet elke dag bijeen kan komen om besluiten te nemen over zijn eigen zaken,
  • waardoor het nodig is een constitutie (grondwet) te maken die de regels bevat waarmee de bestuurders (uitvoerende macht) verantwoording afleggen aan de vertegenwoordigers van het volk (wetgevende macht) en die vertegenwoordigers van het volk op hun beurt verantwoording afleggen aan de burgers (verkiezingen),
  • waardoor de bescherming van de waarden een duidelijke unieke plek moet hebben binnen die constitutie.

Als federalist werk ik met vele anderen mee aan het vestigen van een federaal Europa. Dus ik denk uiteraard aan een federale constitutie. Maar dat is hier verder niet relevant. Voor alles wat ik in dit artikel opmerk over de bescherming van waarden maakt het geen verschil of we praten over een eenheidsstaat of een federale staat.

De noodzaak tot bescherming van waarden
Waarden als – bijvoorbeeld – vrije ontplooiing op zoek naar een gelukkig leven in verbondenheid, veiligheid en voorspoed zijn kwetsbaar en weerloos tegen de op veel plaatsen in de wereld opkomende autocratie. Gevoed en gesteund door populistisch nationalisme, met minachting voor de rule of law, manipuleren autocraten de procedures van hun democratie en tasten ze daarmee de onvervreemdbare soevereiniteit van het volk aan.

Elk volk heeft autocraten. Die schuilen doorgaans in de spelonken van een slecht geformuleerd en slecht georganiseerd democratisch bestel. Ze komen pas tevoorschijn zodra verdedigingsmechanismen tegen hun manipulatie en bedrog afwezig zijn, of zodanig verzwakt, dat ze met het begrip ‘democratie’ als slagwapen deze zelfde democratie kunnen vernietigen.

Autocratie is de ultieme oligarchie, zich openbarend door van bovenaf te besturen door middel van decreten. Zonder respect voor vertegenwoordigen van het volk van onderop. Laat staan verantwoording afleggen voor dat besturen van bovenaf aan een volksvertegenwoordiging.

Ook Europa heeft een paar van dat soort personen. Maar laten we nu geen namen noemen. Belangrijker is om te wijzen op het besmettelijk karakter van autocratie. Het tast ook leidinggevende Europese politici aan die zeker nog niet autocraten kunnen worden genoemd. Maar wel duidelijk tonen dat ze besturen van bovenaf veel fijner vinden dan hun kracht te zoeken in constituties en instituties die van onderop de waarden van ‘volkssoevereiniteit’ bewaren en bewaken.

Het aanbieden van een veilige plek voor dergelijke waarden interesseert hen niet. Deels omdat ze er geen verstand van hebben, deels omdat het hun vrije speelruimte beperkt en deels omdat ze van het volk te veel ruimte krijgen om zich – zonder verstand van waarachtige constitutionele en institutionele bouwstenen van democratie – uit te leven in steeds heftiger besturen van bovenaf. En dan – gevoed door de nasleep van het in extreme mate op economie gerichte neoliberale denken – ook nog denken dat ze daar goed aan doen.

Een andere publicatie, onder de titel ‘Volkssoevereiniteit: grondslag voor circulair beleid maken en federalisering’ (augustus 2019), sloot ik af met een weerlegging van een uitspraak van Bill Clinton als President van de Verenigde Staten, luidende: “It is the economy, stupid”. Dat mocht in zijn tijd wellicht een geldig adagium zijn, nu klopt het niet meer. Onder de dreiging van toenemende autocratie, ook in Europa, moet volgens mij het adagium nu luiden:

“It is NOT the economy, stupid. It is the sovereignty of the people,
organized within a true democracy,
based on a federal constitution,
under the rule of law.”

Waar bewaken we de waarde ‘volkssoevereiniteit’?
Het is een gangbare manier van denken dat waarde-uitspraken in de context van volkssoevereiniteit en democratie het beste kunnen worden opgenomen in een verdrag, een charter. Ik spreek niet tegen dat een verdrag een goede plek is, maar het is niet de beste plek. Met het hierboven geschreven adagium neem ik het standpunt in dat de beste plaats ter bescherming van de fundamentele waarden, gezien vanuit ‘volkssoevereiniteit’, binnen een constitutie ligt.

Met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM, Raad van Europa, Rome 1950) hebben we al zo’n verdrag. Maar na feitelijke autocratische schending is de afstand tot aan de verdragsrechtelijke bescherming tegen de geschonden waarden te groot en te onzeker. Laat mij proberen om dit met een metafoor duidelijk te maken.

Stel, u hebt waardevolle zaken in uw huis. Ter bescherming daarvan heeft u een alarminstallatie aangeschaft. Bij een inbraak wordt de politie automatisch gewaarschuwd, maar die is er pas na een kwartier. De dief is dan allang weg. Of die ooit gepakt wordt is de vraag. Zo ook of u die juwelen ooit terugziet. Een alarminstallatie, aangesloten op de politie, is slechts een ‘second best option’. De beste optie is om met dag en nacht bewaking in het huis zelf de dief meteen te pakken voordat hij bij de waarde kan komen.

De betekenis van deze metafoor is: bouw een verdedigingsmechanisme in dat voorkómt dat beschadiging van waarden kan optreden. Het is effectiever om autocraten die de waarden van volkssoevereiniteit – en van het daarop gebaseerde stelsel van democratische verantwoording – willen schenden met een ingebouwd verdedigingsmechanisme de pas af te snijden, dan te proberen om hen na de schending via langlopende en onzekere procedures van een verdrag alsnog tot de orde te roepen. Zonder het nut te ontkennen van een verdrag als bescherming van waarden in de context van volkssoevereiniteit bepleit ik dat die bescherming eerst en vooral binnen een constitutie moet plaatsvinden.

Die constitutie hoort een bepaling te bevatten die het mogelijk maakt dat de betreffende staat partij is van het EVRM, met zogeheten directe werking. Dat betekent dat de rechterlijke machten van de staten die lid zijn van het EVRM alle wetgeving en bestuur moeten toetsen aan het EVRM. Terzijde: alle lidstaten van de EU zijn op dit moment wel partij van het EVRM, maar de EU zelf niet.

Over de noodzaak om binnen democratieën betere verdedigingsmechanismen in te bouwen verwijs ik naar een voortreffelijk artikel van Matteo Laruffa ‘The institutional defenses of democracy.

Waar in de constitutie moet de bewaking plaatsvinden?
Door het innemen van het standpunt dat een constitutie de eerste en beste plek is voor de bescherming van de waarden van ‘volkssoevereiniteit’ komen we in het domein van wetgeving. Dat is niet voor iedereen bekend terrein. Zonder een klein beetje toelichting op wetgevingstechniek is mijn standpunt misschien onvoldoende overtuigend.

De kern van wetgevingstechniek
Wetten hebben drie onmisbare delen. De kwaliteit van elk deel bepaalt de kracht van een wet. Het eerste deel is meestal vrij kort, slechts een paar zinnen, en bevat de overweging waarom die wet wordt gemaakt. Dat is dus een omschrijving van het doel. Doel is waarde. Die waarde moet worden beschermd met normen. Met zijn artikelen 1 tot X zijn de normen het tweede onmisbare deel van de wet. Het derde deel heet de memorie van toelichting. Daarin worden de achtergrond, bedoeling en argumentatie van de wet uitgelegd. Zonder dat deel tast een rechter in het duister bij het interpreteren van een rechtszaak.

Welnu, als het om een gewone wet gaat dan noemen we de overweging gewoon overweging. Met dien verstande dat wij in Nederland daarvoor een woord uit het Latijn hanteren: Considerans. Maar als het gaat om de overweging van een constitutie (de moeder van de wetten) dan noemen we de waardebepaling: Preambule.

Ik ga voorbij aan discussies onder wetgevingsjuristen over de vraag of een constitutie wel of niet een preambule nodig heeft. Voor mij is dat geen vraag. Als bestuurskundige met een staatsrechtelijke achtergrond is het ondenkbaar dat je ‘de-burgers-bindende-regels’ zou mogen maken zonder het doel daarvan, de waarde, te omschrijven. Om daarna met de instrumentele normen, te weten de artikelen van de constitutie, aan te geven hoe je die waarde denkt te kunnen beschermen. Het feit dat de Nederlandse grondwet geen preambule heeft zie ik daarom als een tekortkoming van het Nederlandse constitutionele stelsel. Ook ga ik voorbij aan de vraag of een preambule kort en krachtig moet zijn, of diepgaand, ingebed in een weloverwogen motivering en argumentatie. Ik kies voor de tweede optie.

De preambule als de ziel van de constitutie
Het standpunt dat de bescherming van waarden primair binnen het domein van constitutioneel recht zelf moet worden geregeld – als het beste verdedigingsmechanisme tegen autocratische machtsgrepen – dwingt mij aan te geven waar dan de juiste plek is. Welnu, dat is de Preambule, de overweging waarom de constitutie wordt gemaakt.

Waarden in de context van volkssoevereiniteit c.a. zijn de ziel van onvervreemdbare rechten van burgers. De tekst daarvan – deels wetstekst, deels toelichting – luistert extreem nauw. En vereist de uiterste bekwaamheid op tenminste twee punten: weten wat de inhoud moet zijn, en weten hoe die dan moet worden geformuleerd. De inhoud is een zaak die het beste door de burgers zelf kan worden geuit conform ‘the wisdom of the crowds’. Terwijl de vorm een taak en een zaak is voor vakmensen die weten hoe je voor die inhoud een correcte constitutie ontwerpt. Metafoor: de klant legt uit wat hij op de pizza wil en de pizzabakker maakt er iets lekkers van, waarbij de pizzabakker als vakman weigert een pizza te maken als de klant zegt dat hij graag bovenop de salami en ansjovis een slagroomgebakje wil hebben. Dat hoort niet op een pizza.

Beide aspecten – de methodologisch juiste inzet van burgers en van vakmensen – zijn in het proces tot ontwerpen van een Europese grondwet onder leiding van Valérie Giscard d’Estaing (2003 tot 2005) met de voeten getreden. Met als resultaat het Verdrag van Lissabon, het slechtst denkbare juridische document ooit in Europa geschreven. Voor meer informatie over de rol van burgers en vakmensen bij het ontwerpen van een federale constitutie voor Europa verwijs ik naar mijn boek ‘Verbondenheid, Veiligheid en Voorspoed’.

De ernst van deze zaak nader beschouwd
Er is de laatste jaren in de wereld – en ook in Europa – zoveel opstandigheid tegen bevoegd gezag aan het ontstaan dat we ons in gemoede dienen af te vragen: wat is hier toch aan de hand? Democratieën lijken te eroderen, autocratieën lijken te exploderen, burgers zoeken vertwijfeld en vruchteloos naar hun rol en positie in die processen van afbraak van democratie. Voor deze in ernst toenemende problematiek verwijs ik naar een voortreffelijk artikel van Shany Mor: ‘Nobody understands democracy anymore’.

Of het nu gaat om de gele hesjes in Frankrijk, de demonstraties in Hong Kong, in Engeland het verzet tegen Brexit en de schorsing van het parlement, in Rusland de demonstraties tegen Poetin, in Zuid-Oost Indonesië op de Molukken en op West Papoea het steeds weer oplaaiende verzet tegen Indonesië, de niet-aflatende strijd tussen Israël en de Palestijnen, de strevingen van regio’s als Catalonië, Baskenland, Schotland, Wales om zich los te maken van het moederland, de spanningen op Cyprus tussen het Griekse en het Turkse deel, de verdeeldheid in de Oekraïne tussen de Oostzijde, de Westzijde en de Krim en hoe het Verdrag van Lissabon werkt als een splijtzwam binnen de EU op onderwerpen als immigratie en de euro.

Deze lijst van opstandigheid en verzet versus autocratie is langer, maar ik laat het hierbij. Het gaat er niet om of we het streven naar onafhankelijkheid door Schotland moeten steunen of niet. Het is niet een kwestie van partij kiezen. De kwestie is: willen we wel of niet aan elk volk ter wereld – en dus ook het volk van Europa – constituties bieden met een preambule die de waarden van volkssoevereiniteit en alles wat daarmee samenhangt als vertrekpunt heeft?

Als Europese regeringsleiders denken dat in het komende decennium een periode van rust en kalmte aanbreekt dan maken ze waarschijnlijk een van de belangrijkste vergissingen van hun leven. Zij zullen, al dan niet hardhandig, worden teruggeworpen op de noodzaak tot heruitvinding van de schakels die samen de ketting ‘volkssoevereiniteit’ vormen, te weten:

  • vertegenwoordiging van het volk,
  • gebaseerd op een volwaardige Constitutie,
  • met een Preambule die als eerste en belangrijkste verdedigingsmechanisme de waarden van (mede)menselijkheid vertolkt,
  • die vervolgens in de artikelen van de constitutie de eerste verdedigingslinie bevatten tot daadwerkelijke bescherming van waarden,
  • op afstand ondersteund door de tweede verdedigingslinie in de vorm van een verdrag, bijvoorbeeld het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Slot
Wat ik tot nu toe formuleerde geldt zowel voor eenheidsstaten als voor federale staten. Als federalist heb ik samen met Herbert Tombeur in de European Federalist Papers (2012-2013) een federale constitutie met een Preambule ontworpen voor een federaal Europa. In de context van de Federal Alliance of European Federalists (FAEF) werken wij aan een verbetering van die Preambule omdat de ernst van de erosie van democratie binnen Europa tot de uiterste alertheid dwingt. Omdat alles altijd verbeterd kan worden heeft een werkgroep van de Wereld Federalistische Beweging Nederland (WFBN) zich tot taak gesteld om in de loop van dit najaar 2019 onze bestaande versie te gaan verbeteren. Die wordt dan onderwerp van beraad met de burgers van Europa.

1 2 3 8

Powered by WishList Member - Membership Software