Category Archives for Boek SamenWereld

Algemeen Belang en Imaginaire Getallen

Mijn bericht van vorige week, over hoe om te gaan met ambtelijke adviezen wanneer deze strijdig zijn met politieke opvattingen, heeft veel reacties opgeleverd. Dank daarvoor.

Vrijwel iedereen benadrukt het belang dat alle meningen over een maatschappelijk vraagstuk open en bloot op tafel moeten. Dat niet per se de politieke opvatting hoeft te domineren.

Vervolgens is het de kunst om via dialoog tot gezamenlijkheid te komen. Mocht dat niet lukken, dan zullen we toch alle opvattingen in beeld moeten houden. Maximale transparantie.

Voor het welslagen van een dialoog is het nodig dat de diverse gesprekpartners respectvol met elkaar omgaan en wederzijds begrip tonen voor de verschillende posities en verantwoordelijkheden. Dat heeft alleen kans van slagen in een veilige omgeving. Met name dit laatste punt kan in de praktijk weleens knellen.

Ik zal in mijn boek uitvoerig stilstaan bij de ‘ideale gesprekssituatie’, zoals die door Jürgen Habermas is geschetst. Zonder een dergelijke setting zal het niet mogelijk zijn om te komen tot – zoals hij dat noemt – ‘gedeeld begrip’. Ik denk dat dit streven noodzakelijk is om uiteindelijk het ‘algemeen belang’ te kunnen dienen.

Ik vind trouwens ‘algemeen belang’ een lastige term. Je voelt aan je water wat ermee wordt bedoeld, maar je kunt het niet echt vastpakken. Zoiets als imaginaire getallen in de wiskunde; ze bestaan niet echt, maar je kunt (en moet) er wel mee rekenen.

Het redactioneel commentaar van NRC van zaterdag 10 oktober over het stikstofbeleid wierp de vraag op: ‘Maar wie komt er op voor het algemeen belang?’ De meningen over (de gevolgen van) het stikstofbeleid vliegen alle kanten op. Vooralsnog is niemand in staat om de boel bij elkaar te brengen.

Opvallend trouwens de ‘politieke’ uitspraak van Willem-Alexander: ‘Het is niet een probleem voor de agrariërs, maar voor heel Nederland. Dat moeten we samen oplossen’. Ook hij houdt een pleidooi voor het dienen van het algemeen belang, als ik dat zo mag vertalen.

Natuurlijk ben ik nu erg benieuwd wat jij vindt van het ‘algemeen belang’. Bestaat het wel of niet? Als het bestaat, hoe ziet het er dan uit? Hoe kun je het construeren? Wat is daarvoor nodig? Of misschien vind je het wel een non-discussie.

Ik wacht je reactie met belangstelling af.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Een dilemma: wie heeft en wie krijgt gelijk?

Mag ik je het volgende dilemma voorleggen.

Toen ik wethouder was in de gemeente Schinnen hadden we op zeker moment discussie over de volgende vraag: ‘Moet een ambtenaar voordat hij een advies schrijft voor het College van B&W eerst overleg plegen met de verantwoordelijk wethouder over de strekking van dat advies?’

Antwoord 1: ja, want de wethouder is uiteindelijk verantwoordelijk en hij is ook degene die in de raadsvergadering dat standpunt moet verdedigen.

Antwoord 2: nee, de ambtenaar moet – gegeven zijn deskundigheid – het best denkbare advies schrijven, ook al is dat in strijd met de opvatting van de portefeuillehouder. Het staat de wethouder natuurlijk altijd vrij om een ander standpunt in te nemen.

Ik moet je zeggen dat ik toentertijd koos voor antwoord 1. Het is moeilijk om een ander standpunt dan het advies van een ambtenaar te verdedigen in een politiek debat met de gemeenteraad. De raad heeft weet van de besluitvorming op basis van de notulen van de collegevergadering. Dan begin je al met 1-0 achter. Dat is niet fijn.

Bij het schrijven van mijn boek ben ik goed gaan nadenken over de rollen van de verschillende actoren in de overheidsorganisatie. Daardoor ben ik gaan schuiven richting antwoord 2.

Het gaat er uiteindelijk om dat het best denkbare besluit wordt genomen ten behoeve van de samenleving. Als een ambtenaar daarover een advies uitbrengt dan mag dat niet om politieke redenen aan de kant worden geschoven. Dat advies moet overeind blijven.

Ik vraag me trouwens af of ambtenaren voldoende worden beschermd om zo te werken. Ik heb in ieder geval ooit als ambtenaar het tegendeel meegemaakt: herrie in de tent.

Nogmaals, de politiek verantwoordelijke is te allen tijde gerechtigd om een ander standpunt te verdedigen. De politiek heeft namelijk het laatste woord.

Als ambtenaar moet je gelijk hebben, als politicus gelijk krijgen.

Er is in dit verband nog een puntje waar ik tegenaan zit te hikken en dat is het volgende. In hoeverre is een ambtelijk advies 100% objectief (rationeel) of zitten daar ook subjectieve (en dus politieke) kanten aan? Als dat laatste het geval is, dan kom je in een grijs gebied terecht.

Vervelend, want ik hou van helderheid.

Ik vind het vraagstuk nog steeds moeilijk.

Hoe kijk jij hier tegenaan?

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld.

Wie is de regie kwijt?

Vorige week had ik het over de vraag of burgers boos zijn of dat ze misschien wel minachtend tegenover de politiek staan.

Torben wees me erop dat achter deze emotioneel beladen begrippen angstige burgers schuilgaan. Mensen die bang zijn voor ontwikkelingen als globalisering, invloed van andere culturen, verlies aan welvaart.

Ik denk dat dit klopt. Mensen verkeren in staat van onzekerheid en dat leidt tot verdriet, verontwaardiging, ongeloof, woede, teleurstelling en vul het rijtje maar aan.

Dit soort emoties zouden op zichzelf nog geen probleem hoeven te zijn. Ze worden dat als je de ongelukkige situatie niet kunt beïnvloeden. Pas dan ontstaat er angst, structureel onbehagen of een gevoel van onmacht.

Dat achterliggende gevoel speelt nogal wat burgers parten. Het gevoel dat je er niks aan kunt doen, het gevoel dat je geen grip meer hebt op de situatie.

Is dat niet ook wat mensen die ouder worden het meeste bezighoudt? Het gevoel te moeten inleveren en er niks aan te kunnen doen; het gevoel dat je de controle kwijtraakt; het gevoel dat je de grip op je leven en je leefomstandigheden verliest?

En politici dan? Hebben zij nog wel grip?

  • Hoelang wordt er al geroepen dat ‘ze’ uit de ivoren toren moeten komen? Ik hoor het nog steeds.
  • Hoeveel decennia beloven de lijsttrekkers voor de verkiezingen dat het aantal regels drastisch omlaag moet? Ze nemen alleen maar toe.
  • Staat het begrip ‘integriteit’ niet al sinds Ien Dales – minister van Binnenlandse Zaken van 1989-1994 – hoog op de agenda? Bijna elke dag haalt wel een verdachte politicus de krant.
  • Wordt nieuwe wetgeving weleens met kritiek ontvangen door met name de uitvoerders? Ja, na enkele jaren wordt het weer teruggedraaid ‘met de wetenschap van nu’.
  • Krijgen de bewindslieden hun ministeries of uitvoeringsorganisaties maar niet op het juiste rails? We kunnen regelmatig ‘genieten’ van de een of andere Haagse soap.
  • Waarom worden telkens weer adviezen gevraagd aan adviesorganen? Er worden meer aanbevelingen niet dan wel overgenomen.
  • Vanaf 1955 neemt het aantal mensen dat lid is van een politieke partij af. Er is geen trendbreuk in zicht.

Wie is de regie kwijt? De burger of de politiek?

Wie het weet mag het zeggen.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld.

Wie dicht de kloof: politiek of samenleving?

Naar aanleiding van de eerste achterflaptekst van mijn boek kreeg ik een reactie van Peter die vond dat ik sterker moest benadrukken dat burgers boos zijn, zeer boos.

Ik heb die suggestie overgenomen in de tweede versie, waarop Berry voorstelde om ‘boosheid’ te vervangen door ‘minachting’.

Dit laatste begrip is heftiger. Immers, mensen die boos zijn hebben nog de hoop dat hun boosheid leidt tot verandering. Mensen die de politiek minachten hebben die hoop allang achter zich gelaten.

Dat vind ik erg pijnlijk. In mijn bericht van vorige week heb ik mijn ambitie al verwoord dat in een ideale samenleving iedereen lid is van een politieke partij. Hoe moet dat dan? Hoe kunnen we de kloof overbruggen?

Het SCP berichtte enkele weken geleden al dat de objectieve en subjectieve kwaliteit van het leven van Nederlanders hoog is, maar dat er grote hardnekkige verschillen tussen bevolkingsgroepen blijven bestaan (De Sociale Staat van Nederland 2019). Dat helpt dan denk ik ook niet echt om de kloof te dichten.

In de deze week verschenen editie van Demos is een artikel gepubliceerd met de titel ‘Rotterdam: van tweedeling naar meerdeling’. Sociale groepen worden daarin geclassificeerd naar niet alleen economische kapitaal (tweedeling), maar ook naar sociaal en cultureel kapitaal. Sociaal kapitaal heeft te maken met hebben van een netwerk (familie en vrienden) en cultureel kapitaal heeft betrekking op opleidingsniveau en culturele participatie.

Op deze manier ontstaan zes sociale groepen. Zie onderstaande tabel.

Bron: Demos, jrg. 35, nr. 8, September 2019

Ik vind het de moeite waard om vanuit deze classificatie naar maatschappelijke vraagstukken te kijken. Ik heb de schrijvers van dit artikel gevraagd of er ook inzicht bestaat in de relatie tussen deze sociale groepen en politieke participatie. Ik ben benieuwd naar hun reactie.

Ik kan me voorstellen dat mensen die behoren tot de sociale groep ‘precariaat’ (samentrekking van ‘precair’ en ‘proletariaat’) zich niet verbonden voelen met wie dan ook, laat staan met de politiek.

Maar dan komt de vraag bij me boven. Wie is er verantwoordelijk voor de positie waarin deze mensen verkeren? Zijn ze dat zelf, is dat de samenleving of is dat de politiek? Of misschien zoiets als pech?

Als je alles op het bordje van de politiek en de overheid legt maak je de kloof kunstmatig groot. De samenleving zou mijns inziens wat meer verantwoordelijkheid kunnen nemen om mensen die in een verdomhoekje zitten een steuntje in de rug te geven. Ik denk dat dit enorm helpt om de kloof te dichten.

Ben je dat met me eens? Heb je ideeën over hoe we dat praktisch vorm kunnen geven?

Ik hoor het graag.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Politieke partijen: een toekomst?

Ik dicht politieke partijen een belangrijke rol toe binnen onze democratische rechtsorde. Ik praat hier geregeld over met mensen in mijn omgeving. Steeds vaker hoor ik de opvatting dat politieke partijen hun langste tijd hebben gehad, dat het einde der tijd voor hen is aangebroken, dat we politieke partijen beter kunnen afschaffen.

Maar dan denk ik, als er geen politieke partijen zijn, dan ontstaat er een gat. En wat gebeurt er met dat gat? Juist ja, dat wordt opgevuld. Opgevuld met … politieke partijen.

Het kan natuurlijk zijn dat het mij niet lukt om buiten de kaders te denken. Maar misschien kun je me daarbij helpen en heb je er een andere opvatting over.

Voorlopig vind ik dus dat politieke partijen moeten blijven bestaan, maar ze kunnen niet blijven functioneren, zoals ze dat nu doen. De trend is dat het aantal leden van politieke partijen afneemt; dat is al begonnen in de jaren vijftig van de vorige eeuw.

Aan wie ligt dat? Aan de tijdgeest, de mensen, of aan de politieke partijen? Aan de tijdgeest kun je niks veranderen. Ik zou het wel mooi vinden als alle burgers lid zouden zijn van een politieke partij, maar de meesten hebben daar kennelijk geen trek in.

Met andere woorden, dan hebben de politieke partijen zelf de sleutel in handen. Waarom willen mensen zich niet bij een politieke club aansluiten? Wat stoot hen af? Waarom weten die politieke organisaties geen mensen aan zich te binden? Wat voor enge beelden roepen die partijen op?

Aan de beelden die ik heb, heb ik deze week eentje toegevoegd. Dat is het volgende.

We hebben tijdens Prinsjesdag kunnen vernemen dat er een overschot op de rijksbegroting is. Het geld klotst tegen de plinten. Provincies hebben financieel ook niks te klagen. Tegelijkertijd schreeuwen gemeenten om extra middelen. 

Tekorten zijn met name ontstaan in het sociale domein. Gemeenten krijgen een schamele €300 miljoen extra voor jeugdzorg voor de komende twee jaar. That’s it.

Het rijk heeft vanaf 2015 de verantwoordelijkheid voor jeugdzorg, maatschappelijke ondersteuning en participatie neergelegd bij gemeenten met als cadeautje een forse bezuiniging. 

En nu krijgen gemeenten hun begroting niet meer rond. Ze hebben al behoorlijk bezuinigd op voorzieningen voor de meest kwetsbaren in onze samenleving. Zelfs de kwaliteit van de groenvoorziening begint eronder te leiden. Steeds meer gemeenten zijn de wanhoop nabij.

Wat ik nu niet kan begrijpen is het volgende. Op lokaal niveau zijn landelijk georganiseerde politieke partijen actief, die hun makkers op gezaghebbende posities hebben zitten in het parlement en regering. Hoe kan dan zoiets gebeuren? Communiceren zij dan niet? Zijn ze op het hoogste niveau dan doof en blind? Het is voor mij een raadsel.

Als van de externe communicatie weinig aantrekkingskracht uitgaat en de interne communicatie tot niks leidt? 

Tsja, waarom zou je dan lid worden van een politieke partij?

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Democratie en de voorbeeldfunctie van politici

Ik heb vorige week de vraag gesteld ‘Wat versta jij onder democratie?’

Je kunt de definitie van het begrip ‘democratie’ niet beperken tot: ‘het bieden van de mogelijkheid aan burgers om in vrijheid hun stem uit te brengen om een volksvertegenwoordiging te kiezen.’

Dan zou je kunnen zeggen dat land A democratisch is en land B niet. We kennen ook wel de voorbeelden van landen waar verkiezingen worden georganiseerd, maar die we nauwelijks democratisch kunnen noemen. Misschien kun je wel meten hoe democratisch een land is. Maar wat zijn dan de indicatoren?

Er zijn in ieder geval twee indexen ontwikkeld: Democratie-index van The Economist en een jaarlijks rapport Freedom in the World van Freedom House.

Aan de hand van de reacties die ik afgelopen week heb ontvangen heeft democratie te maken met vrijheid, gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid, verantwoordelijkheid, betrouwbaarheid, geborgenheid.

Ik schreef vorige week ‘Het handelen van politici bepaalt hoe de democratie wordt ervaren’. Door hun gedrag beïnvloeden ze burgers over wat zijn nog normaal vinden of niet normaal. Ideeën worden salonfähig gemaakt, waarvan je dacht dat die eeuwig verwerpelijk zouden zijn.

Na het zoveelste schietincident op een school komt Donald Trump met het voorstel om leraren te gaan bewapenen. Dat is toch een absurd idee? Dan ga je toch weer een volstrekt onacceptabele grens over?

Ik moest hieraan denken toen deze week Erik Akerboom – de korpschef van de Nationale Politie – eiste dat de politie stroomstootwapens mag gaan gebruiken. Dit naar aanleiding van een incident in Rotterdam waarbij een agent werd neergeslagen.

Dit is natuurlijk niet vergelijkbaar met de opvatting van Trump, maar toch wordt ook hier weer een grens opgeschoven: geweld beantwoorden met nog meer (legaal) geweld.

Dit is natuurlijk geen echte oplossing, ook al snap ik dat Akerboom zijn mensen meer wil beschermen. Ik schat ook in dat de publieke opinie achter deze opvatting staat.

Maar moeten we hier blij mee zijn? Nee, zeker niet. We moeten we het vraagstuk bij de bron aanpakken.

Waar komt dat geweld vandaan? Of in mindere ernstige vorm, waarom neemt de hufterigheid in de samenleving toe? Er lijken steeds meer korte lontjes rond te lopen. Respect voor mensen in gezaghebbende functies neemt af.

Hoe gedragen mensen met een voorbeeldfunctie zich als het gaat om (ik herhaal) vrijheid, gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid, verantwoordelijkheid, betrouwbaarheid, geborgenheid? Zit daar dan de bron? En wordt het tijd dat we daar iets aan gaan doen?

In deze video ‘Hoe belangrijk is de voorbeeldfunctie’ legt mijn college Leo Klinkers uit hoe dat zit.

Reacties zijn natuurlijk weer welkom.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Hoe beschermen we waarden?

Leo Klinkers, September 2019
Coöperatie SamenWereld

Het weerloze karakter van waarden
De Nederlandse dichter Lucebert schreef in 1953: “Alles van waarde is weerloos.” Echter, hoe weerloos iets van waarde ook is, toch willen mensen die zo goed mogelijk bewaren: foto’s van onze ouders in een album, juwelen in een kluis, geld op de bank, verse melk in de koelkast, een baby in een veilige wieg. We zoeken steeds naar een goede plek om de weerloze en kwetsbare aard van waardevolle dingen zo goed mogelijk te beschermen.

In dit artikel concentreer ik me op

  • de bescherming van waarden,
  • binnen het perspectief van volkssoevereiniteit in de zin van: ‘Alle soevereiniteit berust bij het volk’,
  • die georganiseerd moet worden in de zin van vertegenwoordiging van het volk omdat het volk niet elke dag bijeen kan komen om besluiten te nemen over zijn eigen zaken,
  • waardoor het nodig is een constitutie (grondwet) te maken die de regels bevat waarmee de bestuurders (uitvoerende macht) verantwoording afleggen aan de vertegenwoordigers van het volk (wetgevende macht) en die vertegenwoordigers van het volk op hun beurt verantwoording afleggen aan de burgers (verkiezingen),
  • waardoor de bescherming van de waarden een duidelijke unieke plek moet hebben binnen die constitutie.

Als federalist werk ik met vele anderen mee aan het vestigen van een federaal Europa. Dus ik denk uiteraard aan een federale constitutie. Maar dat is hier verder niet relevant. Voor alles wat ik in dit artikel opmerk over de bescherming van waarden maakt het geen verschil of we praten over een eenheidsstaat of een federale staat.

De noodzaak tot bescherming van waarden
Waarden als – bijvoorbeeld – vrije ontplooiing op zoek naar een gelukkig leven in verbondenheid, veiligheid en voorspoed zijn kwetsbaar en weerloos tegen de op veel plaatsen in de wereld opkomende autocratie. Gevoed en gesteund door populistisch nationalisme, met minachting voor de rule of law, manipuleren autocraten de procedures van hun democratie en tasten ze daarmee de onvervreemdbare soevereiniteit van het volk aan.

Elk volk heeft autocraten. Die schuilen doorgaans in de spelonken van een slecht geformuleerd en slecht georganiseerd democratisch bestel. Ze komen pas tevoorschijn zodra verdedigingsmechanismen tegen hun manipulatie en bedrog afwezig zijn, of zodanig verzwakt, dat ze met het begrip ‘democratie’ als slagwapen deze zelfde democratie kunnen vernietigen.

Autocratie is de ultieme oligarchie, zich openbarend door van bovenaf te besturen door middel van decreten. Zonder respect voor vertegenwoordigen van het volk van onderop. Laat staan verantwoording afleggen voor dat besturen van bovenaf aan een volksvertegenwoordiging.

Ook Europa heeft een paar van dat soort personen. Maar laten we nu geen namen noemen. Belangrijker is om te wijzen op het besmettelijk karakter van autocratie. Het tast ook leidinggevende Europese politici aan die zeker nog niet autocraten kunnen worden genoemd. Maar wel duidelijk tonen dat ze besturen van bovenaf veel fijner vinden dan hun kracht te zoeken in constituties en instituties die van onderop de waarden van ‘volkssoevereiniteit’ bewaren en bewaken.

Het aanbieden van een veilige plek voor dergelijke waarden interesseert hen niet. Deels omdat ze er geen verstand van hebben, deels omdat het hun vrije speelruimte beperkt en deels omdat ze van het volk te veel ruimte krijgen om zich – zonder verstand van waarachtige constitutionele en institutionele bouwstenen van democratie – uit te leven in steeds heftiger besturen van bovenaf. En dan – gevoed door de nasleep van het in extreme mate op economie gerichte neoliberale denken – ook nog denken dat ze daar goed aan doen.

Een andere publicatie, onder de titel ‘Volkssoevereiniteit: grondslag voor circulair beleid maken en federalisering’ (augustus 2019), sloot ik af met een weerlegging van een uitspraak van Bill Clinton als President van de Verenigde Staten, luidende: “It is the economy, stupid”. Dat mocht in zijn tijd wellicht een geldig adagium zijn, nu klopt het niet meer. Onder de dreiging van toenemende autocratie, ook in Europa, moet volgens mij het adagium nu luiden:

“It is NOT the economy, stupid. It is the sovereignty of the people,
organized within a true democracy,
based on a federal constitution,
under the rule of law.”

Waar bewaken we de waarde ‘volkssoevereiniteit’?
Het is een gangbare manier van denken dat waarde-uitspraken in de context van volkssoevereiniteit en democratie het beste kunnen worden opgenomen in een verdrag, een charter. Ik spreek niet tegen dat een verdrag een goede plek is, maar het is niet de beste plek. Met het hierboven geschreven adagium neem ik het standpunt in dat de beste plaats ter bescherming van de fundamentele waarden, gezien vanuit ‘volkssoevereiniteit’, binnen een constitutie ligt.

Met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM, Raad van Europa, Rome 1950) hebben we al zo’n verdrag. Maar na feitelijke autocratische schending is de afstand tot aan de verdragsrechtelijke bescherming tegen de geschonden waarden te groot en te onzeker. Laat mij proberen om dit met een metafoor duidelijk te maken.

Stel, u hebt waardevolle zaken in uw huis. Ter bescherming daarvan heeft u een alarminstallatie aangeschaft. Bij een inbraak wordt de politie automatisch gewaarschuwd, maar die is er pas na een kwartier. De dief is dan allang weg. Of die ooit gepakt wordt is de vraag. Zo ook of u die juwelen ooit terugziet. Een alarminstallatie, aangesloten op de politie, is slechts een ‘second best option’. De beste optie is om met dag en nacht bewaking in het huis zelf de dief meteen te pakken voordat hij bij de waarde kan komen.

De betekenis van deze metafoor is: bouw een verdedigingsmechanisme in dat voorkómt dat beschadiging van waarden kan optreden. Het is effectiever om autocraten die de waarden van volkssoevereiniteit – en van het daarop gebaseerde stelsel van democratische verantwoording – willen schenden met een ingebouwd verdedigingsmechanisme de pas af te snijden, dan te proberen om hen na de schending via langlopende en onzekere procedures van een verdrag alsnog tot de orde te roepen. Zonder het nut te ontkennen van een verdrag als bescherming van waarden in de context van volkssoevereiniteit bepleit ik dat die bescherming eerst en vooral binnen een constitutie moet plaatsvinden.

Die constitutie hoort een bepaling te bevatten die het mogelijk maakt dat de betreffende staat partij is van het EVRM, met zogeheten directe werking. Dat betekent dat de rechterlijke machten van de staten die lid zijn van het EVRM alle wetgeving en bestuur moeten toetsen aan het EVRM. Terzijde: alle lidstaten van de EU zijn op dit moment wel partij van het EVRM, maar de EU zelf niet.

Over de noodzaak om binnen democratieën betere verdedigingsmechanismen in te bouwen verwijs ik naar een voortreffelijk artikel van Matteo Laruffa ‘The institutional defenses of democracy.

Waar in de constitutie moet de bewaking plaatsvinden?
Door het innemen van het standpunt dat een constitutie de eerste en beste plek is voor de bescherming van de waarden van ‘volkssoevereiniteit’ komen we in het domein van wetgeving. Dat is niet voor iedereen bekend terrein. Zonder een klein beetje toelichting op wetgevingstechniek is mijn standpunt misschien onvoldoende overtuigend.

De kern van wetgevingstechniek
Wetten hebben drie onmisbare delen. De kwaliteit van elk deel bepaalt de kracht van een wet. Het eerste deel is meestal vrij kort, slechts een paar zinnen, en bevat de overweging waarom die wet wordt gemaakt. Dat is dus een omschrijving van het doel. Doel is waarde. Die waarde moet worden beschermd met normen. Met zijn artikelen 1 tot X zijn de normen het tweede onmisbare deel van de wet. Het derde deel heet de memorie van toelichting. Daarin worden de achtergrond, bedoeling en argumentatie van de wet uitgelegd. Zonder dat deel tast een rechter in het duister bij het interpreteren van een rechtszaak.

Welnu, als het om een gewone wet gaat dan noemen we de overweging gewoon overweging. Met dien verstande dat wij in Nederland daarvoor een woord uit het Latijn hanteren: Considerans. Maar als het gaat om de overweging van een constitutie (de moeder van de wetten) dan noemen we de waardebepaling: Preambule.

Ik ga voorbij aan discussies onder wetgevingsjuristen over de vraag of een constitutie wel of niet een preambule nodig heeft. Voor mij is dat geen vraag. Als bestuurskundige met een staatsrechtelijke achtergrond is het ondenkbaar dat je ‘de-burgers-bindende-regels’ zou mogen maken zonder het doel daarvan, de waarde, te omschrijven. Om daarna met de instrumentele normen, te weten de artikelen van de constitutie, aan te geven hoe je die waarde denkt te kunnen beschermen. Het feit dat de Nederlandse grondwet geen preambule heeft zie ik daarom als een tekortkoming van het Nederlandse constitutionele stelsel. Ook ga ik voorbij aan de vraag of een preambule kort en krachtig moet zijn, of diepgaand, ingebed in een weloverwogen motivering en argumentatie. Ik kies voor de tweede optie.

De preambule als de ziel van de constitutie
Het standpunt dat de bescherming van waarden primair binnen het domein van constitutioneel recht zelf moet worden geregeld – als het beste verdedigingsmechanisme tegen autocratische machtsgrepen – dwingt mij aan te geven waar dan de juiste plek is. Welnu, dat is de Preambule, de overweging waarom de constitutie wordt gemaakt.

Waarden in de context van volkssoevereiniteit c.a. zijn de ziel van onvervreemdbare rechten van burgers. De tekst daarvan – deels wetstekst, deels toelichting – luistert extreem nauw. En vereist de uiterste bekwaamheid op tenminste twee punten: weten wat de inhoud moet zijn, en weten hoe die dan moet worden geformuleerd. De inhoud is een zaak die het beste door de burgers zelf kan worden geuit conform ‘the wisdom of the crowds’. Terwijl de vorm een taak en een zaak is voor vakmensen die weten hoe je voor die inhoud een correcte constitutie ontwerpt. Metafoor: de klant legt uit wat hij op de pizza wil en de pizzabakker maakt er iets lekkers van, waarbij de pizzabakker als vakman weigert een pizza te maken als de klant zegt dat hij graag bovenop de salami en ansjovis een slagroomgebakje wil hebben. Dat hoort niet op een pizza.

Beide aspecten – de methodologisch juiste inzet van burgers en van vakmensen – zijn in het proces tot ontwerpen van een Europese grondwet onder leiding van Valérie Giscard d’Estaing (2003 tot 2005) met de voeten getreden. Met als resultaat het Verdrag van Lissabon, het slechtst denkbare juridische document ooit in Europa geschreven. Voor meer informatie over de rol van burgers en vakmensen bij het ontwerpen van een federale constitutie voor Europa verwijs ik naar mijn boek ‘Verbondenheid, Veiligheid en Voorspoed’.

De ernst van deze zaak nader beschouwd
Er is de laatste jaren in de wereld – en ook in Europa – zoveel opstandigheid tegen bevoegd gezag aan het ontstaan dat we ons in gemoede dienen af te vragen: wat is hier toch aan de hand? Democratieën lijken te eroderen, autocratieën lijken te exploderen, burgers zoeken vertwijfeld en vruchteloos naar hun rol en positie in die processen van afbraak van democratie. Voor deze in ernst toenemende problematiek verwijs ik naar een voortreffelijk artikel van Shany Mor: ‘Nobody understands democracy anymore’.

Of het nu gaat om de gele hesjes in Frankrijk, de demonstraties in Hong Kong, in Engeland het verzet tegen Brexit en de schorsing van het parlement, in Rusland de demonstraties tegen Poetin, in Zuid-Oost Indonesië op de Molukken en op West Papoea het steeds weer oplaaiende verzet tegen Indonesië, de niet-aflatende strijd tussen Israël en de Palestijnen, de strevingen van regio’s als Catalonië, Baskenland, Schotland, Wales om zich los te maken van het moederland, de spanningen op Cyprus tussen het Griekse en het Turkse deel, de verdeeldheid in de Oekraïne tussen de Oostzijde, de Westzijde en de Krim en hoe het Verdrag van Lissabon werkt als een splijtzwam binnen de EU op onderwerpen als immigratie en de euro.

Deze lijst van opstandigheid en verzet versus autocratie is langer, maar ik laat het hierbij. Het gaat er niet om of we het streven naar onafhankelijkheid door Schotland moeten steunen of niet. Het is niet een kwestie van partij kiezen. De kwestie is: willen we wel of niet aan elk volk ter wereld – en dus ook het volk van Europa – constituties bieden met een preambule die de waarden van volkssoevereiniteit en alles wat daarmee samenhangt als vertrekpunt heeft?

Als Europese regeringsleiders denken dat in het komende decennium een periode van rust en kalmte aanbreekt dan maken ze waarschijnlijk een van de belangrijkste vergissingen van hun leven. Zij zullen, al dan niet hardhandig, worden teruggeworpen op de noodzaak tot heruitvinding van de schakels die samen de ketting ‘volkssoevereiniteit’ vormen, te weten:

  • vertegenwoordiging van het volk,
  • gebaseerd op een volwaardige Constitutie,
  • met een Preambule die als eerste en belangrijkste verdedigingsmechanisme de waarden van (mede)menselijkheid vertolkt,
  • die vervolgens in de artikelen van de constitutie de eerste verdedigingslinie bevatten tot daadwerkelijke bescherming van waarden,
  • op afstand ondersteund door de tweede verdedigingslinie in de vorm van een verdrag, bijvoorbeeld het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Slot
Wat ik tot nu toe formuleerde geldt zowel voor eenheidsstaten als voor federale staten. Als federalist heb ik samen met Herbert Tombeur in de European Federalist Papers (2012-2013) een federale constitutie met een Preambule ontworpen voor een federaal Europa. In de context van de Federal Alliance of European Federalists (FAEF) werken wij aan een verbetering van die Preambule omdat de ernst van de erosie van democratie binnen Europa tot de uiterste alertheid dwingt. Omdat alles altijd verbeterd kan worden heeft een werkgroep van de Wereld Federalistische Beweging Nederland (WFBN) zich tot taak gesteld om in de loop van dit najaar 2019 onze bestaande versie te gaan verbeteren. Die wordt dan onderwerp van beraad met de burgers van Europa.

Volkssoevereiniteit: grondslag voor circulair beleid maken en federalisering

Leo Klinkers, Den Haag, Augustus 2019

Het doel van deze notitie
Deze notitie is bestemd voor allen die het begrip ‘volkssoevereiniteit’ onderschrijven, maar regelmatig in de krant lezen dat politieke gezagsdragers dit begrip geweld aandoen. Niet alleen burgers hebben daar moeite mee. Ook sommige volksvertegenwoordigers, bestuurders en ambtenaren worstelen met het vraagstuk hoe samenleving en overheid zich tot elkaar dienen te verhouden. Maar als federalist denk ik vooral ook aan hen die pleiten voor een federaal Europa.

Het stoort federalisten dat al meer dan tweehonderd jaar vergeefs wordt geprobeerd om de federale Verenigde Staten van Europa op te richten. Ik ga proberen duidelijk te maken dat de oorzaak daarvan niet alleen ligt bij onwillige en onwetende Europese politici, maar ook – en misschien vooral – bij de federalisten zelf. In de veertig jaar dat ik mij in het thema van een federaal Europa heb verdiept zijn mij twee zaken duidelijk geworden.

Ten eerste. Ik schat dat 95% van de duizenden Europeanen die het federalisme belijden niet weet wat de essentie van federalisme is. Op grote schaal ontbreekt binnen federalistische bewegingen elementaire kennis inzake deze bijzondere vorm van staatsinrichting. Omdat men de vereiste kennis mist ontbreekt het ook aan een handelingsmotief én aan een handelingsperspectief. Wie niet weet waar het noorden ligt, die blijft dwalen. Mozes had maar veertig jaar nodig om het beloofde land te bereiken. De Europese federalisten zijn – na de succesvolle eerste federatie ter wereld in Amerika tussen 1787-1789 – al tweehonderd jaar op pad. Als ze elkaar tegenkomen in ‘de woestijn van de anarchie van Europese natiestaten’ maken ze liever ruzie dan met het organiseren van de gezamenlijkheid.

Ten tweede. Omdat ze nalaten de gezamenlijkheid te organiseren zijn de vele federalistische bewegingen niet in staat om zich te verenigen in een federatie van federalistische bewegingen. Hun organisatiegraad is beschamend plat. Wat men ook beweert, de bekende federalistische bewegingen in Europa zijn – slechts – gedecentraliseerde eenheidsbewegingen. Ze hebben zich niet één niveau hoger georganiseerd in een federatie van federalistische bewegingen met een diversiteit van motieven en culturen. Een federatie die kan zorgen voor het gezamenlijke belang van de afzonderlijke bewegingen: de oprichting van een federaal Europa.

Wat dit betreft zijn ze blind voor het bestaan van duizenden private federaties in Europa waarbij die van de voetbalwereld wellicht de meest opvallende is: individuele clubs > federale nationale bond > federale Europese UEFA > federale mondiale FIFA. Let nu goed op: die individuele voetbalclubs aan de basis van dat stelsel zijn baas in eigen huis, ze zijn en blijven soeverein, autonoom met hun eigen culturele identiteit, hun eigen bestuur, hun eigen ledenraad, hun eigen stadion, hun eigen shirt, hun eigen fanclub, hun eigen clublied, hun eigen kampioensfeest en hun eigen kerstfeest. De federale bond zorgt alleen voor zaken die individuele clubs niet zelf kunnen regelen, zoals bijvoorbeeld een wedstrijdschema dat duidelijk maakt tegen wie men de volgende week moet spelen. Alsook, bijvoorbeeld, de opleiding van scheidsrechters en de introductie van de VAR. Federalistische bewegingen die een federaal Europa nastreven hebben tot nu toe niets geleerd van de kracht van federaal organiseren.

De reeks ‘eigenheden’ van organen aan de basis van een federaal stelsel is synoniem met het eerste woord in de titel van dit stuk: volkssoevereiniteit. Het fundament van een federaal stelsel bestaat uit organen die baas zijn, en baas blijven, in hun eigen huis. En dat besef ontbreekt ten enenmale bij federalistische bewegingen. Het gebrek aan elementaire kennis inzake federalisme weerhoudt hen om samen een federaal stelsel op te richten zoals bijvoorbeeld die federale organisatievorm van voetbal. Of breder: de wereld van alle sportbeoefenaars die hun belangen vertegenwoordigd weten in het Internationale Olympische Comité (IOC) dat met zijn 205 federale ledenorganisaties miljoenen mensen in staat stelt te sporten en waar miljarden mensen met veel plezier naar kijken.

Ik ga nu even in op de drie begrippen in de titel van dit stuk: volkssoevereiniteit, circulair beleid maken en federalisering.

Terzijde nog deze noot: toen ik mijn gedachten ordende bleek dat deze notitie een exposé zou worden van alles wat ik vanaf 1970 heb geleerd. U leest dus het pad van mijn loopbaan.

De begrippen volkssoevereiniteit, circulair beleid maken en federalisering
Volkssoevereiniteit
Over het begrip ‘volkssoevereiniteit’ zijn sinds Aristoteles vele boeken geschreven. Het kan echter ook in één zin. Volkssoevereiniteit betekent: alle soevereiniteit berust bij het volk. Elke vorm van staatsinrichting en daaruit voortvloeiend beleid moet op dit adagium herleidbaar zijn. Voor burgers, waar ook ter wereld, geldt maar één waarde, namelijk het onvervreemdbare recht om hun geluk na te streven, daarbij gesteund door een zodanige inrichting van de staat dat die niet met zichzelf bezig is maar met een adequate inrichting van de staat waar beleid uit voortkomt dat het geluk van die burgers ondersteunt. Geluk in de meest ruime zin van het woord: vrijheid, veiligheid, ontplooiing, voorspoed, verbondenheid en genieten van de eigen culturele identiteit.

Circulair beleid maken
Het begrip ‘circulair beleid maken’ is afgeleid van het begrip ‘circulaire economie’. Dat is economie bedrijven zonder afval te produceren. Dus zonder vernietiging van natuur en milieu. ‘Circulair beleid maken’ is beleid ontwerpen en uitvoeren zonder beleidsafval te produceren zoals bijvoorbeeld over-organisering, over-juridificering, over-bureaucratisering, inspraak organiseren zonder er consequenties aan te verbinden en duurbetaalde beleidsnota’s die in een lade verdwijnen. Circulair beleid maken impliceert het opvangen van relevante signalen uit de samenleving, én daarna ook die signalen oppakken met maatregelen die herleidbaar zijn op dat adagium ‘alle soevereiniteit berust bij het volk’. Bij het volk berust ook alle wijsheid en waarheid. Mits op een goede manier verworven. Circulair beleid maken maakt deel uit van het meeromvattende begrip ‘Samenlevingsbeleid’. Daarover straks meer.

Tussen 1970 en 2017 noemde ik deze manier van werken ‘interactief beleid maken’ omdat het tot stand komt in een diepgaande dialoog met betrokken burgers en uitvoerders: dat heet werken van buiten naar binnen en van onderop. Ik stond daarin niet alleen. In 2004 kwam James Surowiecki met de benaming ‘The wisdom of the crowds’. Inmiddels is de term ‘interactief werken’ ernstig vervuild. Denken over vernieuwing staat echter nooit stil. Mijn collega Peter Hovens legde de relatie met circulaire economie en dus heet ons werk voortaan ‘de methodologie van circulair beleid maken’. Ik schets die zo meteen.

Federalisering
In 1787 maakten dertien staatjes in Amerika (voormalige koloniën van Engeland) de eerste federatie ter wereld – gebaseerd op het denkwerk van Europese filosofen. Federalisering is een vorm van samenwerking tussen landen waarbij de lidstaten soeverein en autonoom blijven maar enkele belangen die ze zelf niet (langer) kunnen behartigen in handen van een federaal orgaan leggen. Waar binnen federaties soms ernstige problemen ontstaan, zoals nu in Amerika, is dat niet terug te voeren op de constitutionele federale staatsinrichting maar op het ontbreken van ingebouwde verdedigingsmechanismen waardoor verkeerde personen de procedures van de democratie kunnen manipuleren om posities te verwerven ten eigen bate.

Sinds de komst van de eerste federatie in Amerika proberen duizenden burgers in Europa al tweehonderd jaar om een federaal Europa te vestigen. Dat is nog nooit gelukt, terwijl inmiddels 40% van de wereldbevolking in zevenentwintig federaties leeft. In die landen heeft men wél begrepen dat bij veranderende omstandigheden het maken van een federale staatsinrichting het beste instrument is voor het steunen van het streven naar geluk door de burgers.

Het ontwerpen van de methodologie
Tijdens mijn studie aan de juridische faculteit van de Rijksuniversiteit te Utrecht (1964-1968) leerde ik begrippen als soevereiniteit, democratie, trias politica, checks and balances, constitutionele monarchie, confederale en federale staten. Overigens zonder besef van hun werkelijke betekenis. Zoals de meeste studenten studeerde ik niet om mij te verdiepen, maar om op examens verplichte kennis te reproduceren om die daarna zo snel mogelijk weer te vergeten om in het hoofd ruimte te maken voor een nieuwe lading platte kennis voor het volgende examen.

In 1969 kreeg ik een baan bij een gemeente en leerde toen pas de diepere betekenis van beginselen van staatsrecht en bestuursrecht. Ik verbaasde mij echter over het feit dat men beleid maakte van bovenaf; vanuit de kennis, ervaring en dossiers van politici en ambtenaren; zonder raadpleging van betrokken burgers. Men maakte beleid zoals men dat al jaren deed. Naar eer en geweten, in de veronderstelling dat men op het gemeentehuis wel wist wat goed voor die burgers was. En dat is vandaag de dag niet anders.

In 1970 nam ik de uitnodiging aan om terug te keren naar de juridische faculteit om het onderwijs en onderzoek in de bestuurskunde op te bouwen. Toen pas ging ik studeren. Gesteund door omvangrijke bibliotheken ben ik het functioneren van overheden gaan analyseren. Ik ontdekte dat meer dan tien verschillende academische disciplines kennis bevatten die van toepassing is op het functioneren van overheden. Denk naast staats- en bestuursrecht aan bijvoorbeeld politieke/ theologische/humanistische filosofie, systeemtheorie, sociale psychologie, cybernetica, psychoanalyse, volkerenrecht, organisatietheorie, managementheorie, communicatietheorie, forensische psychiatrie, argumentatieleer, causaliteitsleer, formele logica, methoden en technieken van wetenschappelijk onderzoek en nog een paar die me nu niet te binnen schieten.

Door delen van die disciplines met elkaar te verbinden kon ik een methodologie ontwerpen voor resultaatgericht beleid maken, met volwaardige betrokkenheid van burgers en uitvoerders vanaf het allereerste begin van zo’n proces. Dus niet zoals het geval is met inspraak waarbij een overheid al heeft vastgesteld wat het probleem is en ook alvast de oplossing heeft bedacht. En vervolgens met de hakken in het zand gaat als insprekende burgers noch het probleem, noch de oplossing herkennen. Nee, ik heb het over beleid dat kan rekenen op draagvlak uit de samenleving en dat zich verzekerd weet van een actieve houding van de uitvoerders. Die methodologie – onder de naam ‘Samenlevingsbeleid’ – bestaat uit vier architecturen als de bouwstenen van een succesvol veranderingsproces:

  1. De architectuur van het doorbreken van de status quo. Die is nodig om een zodanig proces op te zetten dat er voldoende energie ontstaat om – zoals we dat noemen – een raket door de dampkring te jagen. Dus zoveel kracht ontwikkelen dat het beoogde proces de zwaartekracht weerstaat en niet terugvalt op de grond.
  2. De architectuur van doel stellen. Zonder zorgvuldige analyse en synthese worden in negen van de tien beleidsprocessen doelen geformuleerd conform de zogeheten ‘valkuil van het oplossingendenken’. Een doel is een oplossing voor een probleem. Zonder analyse (diagnose) van het probleem in zijn onderliggende oorzaken kan men geen werkbare synthese (therapie) voorstellen.
  3. De architectuur van doel bereiken. Als je op een methodisch zorgvuldige wijze het doel hebt vastgesteld wil het nog niet zeggen dat je dat dan ook zult bereiken. Deze architectuur staart zich niet blind op het te bereiken resultaat maar op het reduceren van onzekerheden die aan het resultaat in de weg staan.
  4. De architectuur van circulair beleid maken. In deze architectuur komen de drie voorgaande samen in daadwerkelijke toepassing in de volgende drie fasen.

A. Analysefase:
a. Samenstelling team: omvat team formatie, teambuilding, behuizing, materialen, apparatuur, budget.
b. Omgevingsanalyse: analyse van iedereen die erbij betrokken moet worden; het aantal is niet relevant; zijn het er dertig, oké; zijn het er dertigduizend, ook dan oké.
c. Consultatieronde: de sleutelfiguren uit de Omgevingsanalyse worden bij voorkeur één-op-één geconsulteerd door middel van een interview; ze worden, én blijven, bij het beleidsproces betrokken; naast één-op-één gesprekken hanteren we andere bevragingstechnieken voor grotere groepen mensen conform de methode van de zogeheten ‘nominale groep’.
d. Bloemlezing: wat de geraadpleegden inbrengen wordt zo letterlijk mogelijk vastgelegd en aan de geraadpleegden toegestuurd zodat ze zien dat er daadwerkelijk serieus met die inbreng wordt gehandeld.
e. Probleem- en oorzakenanalyses: het materiaal van de Bloemlezing wordt geanalyseerd op oorzakelijke ketens en hun gelaagde opbouw. Moraal: alleen als je het beleid concentreert op een aanpak van de onderste oorzakelijke lagen bereik je succes. Anders blijf je hangen in symptoombestrijding.
f. Expertmeetings: experts worden aan het werk gezet om eventuele blinde vlekken in de analyse op te sporen en ongedaan te maken.

B. Synthesefase
g. Visienota: in enkele pagina’s volgt een schets van het uiteindelijk te bereiken doel.
h. Strategische oplossingsrichtingen: zoals er meerdere wegen naar Rome leiden zijn er ook altijd meerdere oplossingsrichtingen.
i. Subdoelen: binnen die strategische oplossingsrichtingen zijn er tussendoelen. Voorbeeld. Als je vanuit Den Haag op weg gaat naar Rome – via België, Duitsland en Zwitserland – moet je als tussendoel zeker Maastricht of Brussel bereiken. Het bereiken van zo’n tussendoel is belangrijk omdat je dan twee dingen weet: je bent niet meer in Den Haag en je bent op de goede weg. Als je echter het bordje Hamburg ziet dan weet je ook twee dingen: je bent niet meer in Den Haag, maar wel op de verkeerde weg.
j. Concrete acties: het slot van het ontwikkelen van een circulair beleidsproces is vervat in een Actieboek. Het maken daarvan vereist bijzonder veel kennis en inzet anders worden het onzin-acties. De acties zijn gericht op het elimineren van de oorzaken die naar boven zijn gekomen bij de analyse.

C. Uitvoeringsfase
En dan pas begint het ‘echte’ werk: de concrete uitvoering van de concrete acties ter bereiking van de concrete tussendoelen, ter bereiking van het einddoel.
De methode wordt geleid volgens de beginselen van processturing, inclusief kennissturing en structuursturing onder het adagium: ‘Het proces is belangrijker dan het resultaat.’ En dat betekent dat je moet weten wat je nodig hebt en hoe je het moet doen.

De toepassing van deze methode in de praktijk
De constructie van de vier architecturen ontstond in de loop van de jaren zeventig. Eerst in ruwe contouren maar langzaam verfijnd door de bespreking hiervan met mijn bestuurskunde studenten en kleine projecten buiten de universiteit. Daardoor kreeg dat werk enige bekendheid, leidend tot een opdracht, in 1982, van de korpschef van de politie Amsterdam.

Door allerlei omstandigheden en ontwikkelingen was het korps verwikkeld in zaken van corruptie en fraude, had ruzie met het gemeentebestuur, het openbaar ministerie en met vele organisaties zoals het openbaar vervoer, de taxiwereld, de horeca, etc. De nieuwe korpschef had de opdracht om schoon schip te maken en – door zijn staf gesouffleerd over deze methodologie – zette mij aan het werk. Dat leidde tot een geheel nieuw korpsbeleid, een nieuwe organisatie en een nieuw management. Met een doorlooptijd van drie jaar. Het uit te voeren Actieboek omvatte ongeveer 150 projecten, vastgelegd in een Convenant, ondertekend door de burgemeester van Amsterdam, de minister van binnenlandse zaken, de minister van justitie, de hoofdofficier van justitie te Amsterdam en de korpschef zelf.

Deze opdracht deed mij besluiten om in 1983 de universiteit te verlaten. Vanaf dat moment is deze methode in tientallen projecten toegepast. Enkele voorbeelden:

  • Het Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer. In opdracht van de toenmalige Minister van Verkeer en Waterstaat is voor de Tweede Kamer een beleid ontwikkeld om doelen van verkeer en vervoer, van economie en van natuur- en milieu met elkaar te verenigen. Betrokkenheid van iedereen met gezag binnen economie, verkeer en vervoer, natuur en milieu. Het leidde in 1989 tot de val van het kabinet Lubbers II.
  • Begin jaren negentig een Europees structuurschema voor transnationaal verkeer en vervoer door alle landen van de toenmalige EEG, in opdracht van de Eurocommissaris voor Transport. Input van ministers, topambtenaren, captains of industry, experts en betrokken burgers door de hele wereld.
  • In de jaren negentig voor de gemeente Amsterdam – naast de strategie van politie en openbaar ministerie – het maken van een eigen gemeentelijke strategie met concrete acties ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Betrokkenheid uit alle sectoren en lagen van de samenleving.
  • Eveneens in de jaren negentig in opdracht van Rijkswaterstaat een beleid voor veiligheid voor alle interacties op de Noordzee: boten, vissers, toeristen, olie- en gasinstallaties, natuur en milieu.
  • Ook in de jaren negentig in opdracht van de Verenigde Naties (mede op aangeven van de EU) voor Bangkok een aanpak van de toenemende onleefbaarheid en verpaupering van dat deel van de stad waar het paleis van de Koning staat, enkele van de belangrijkste ministeries, de grootste markten en de mooiste tempels. Door gigantische mensenmassa’s en de uitstoot van gassen van voertuigen nam de leefbaarheid zienderogen af, konden ambtenaren hun werkplek niet bereiken, konden burgers hun voedsel niet halen op de markten, raakten tempels in verval en nam het toerisme af. De geschetste methode van werken is door de VN vervat in een instructie die door het VN-kantoor Bangkok is verspreid in de landen van Zuidoost-Azië.
  • Voor de regering van Suriname
  1. in opdracht van de minister van transport en communicatie een geïntegreerd verkeers- en vervoersbeleid;
  2. in opdracht van de minister van justitie en politie en van de minister van defensie, het ontwerpen van een geïntegreerd nationaal veiligheidsbeleid;
  3. in opdracht van de International Development Bank (IDB) een beleid tot versterking van de Surinaamse economie;
  4. in opdracht van de EU en het Suriname Business Forum een beleid tot verbetering van de zogeheten ‘ease of doing business’ conform de methodologie van de Wereld Bank;
  5. in opdracht van de vicepresident het ontwerpen van beleid tot vullen van hiaten in de wetgeving die krachtens de grondwet aanwezig zou moeten zijn, alsook het moderniseren van verouderde en vervallen wetgeving.
  • Meer recent, een onderzoek van de gemeente Voorst, naar de mogelijkheden om preventief te werken binnen het sociale domein om problemen te voorkomen die het geluk van (kwetsbare) inwoners ernstig dwarsbomen en die het financiële zwaard van Damocles – dat boven elke gemeente hangt – te verwijderen. Dit project werd voortreffelijk geleid door Koen van Bremen; hij is een van de oprichters van onze Coöperatie SamenWereld.

Ik laat het bij deze opsomming. Ze is alleen bedoeld om aan te geven dat deze methode op elk onderwerp van toepassing is, dus onafhankelijk van het beleidsterrein. Ze kan elke complexiteit aan, mits ….. er gewerkt kan worden zoals het hoort, dus volgens Standard Operational Procedures (SOP) die ik hierboven schetste.

Om kennis van deze SOP over te dragen heb ik tussen 1983 en 2000 vele meerdaagse cursussen verzorgd. In en buiten Nederland. Een van de cursisten was Peter Hovens. Hoewel anderen ook met deze methodologie gingen werken bleek Peter de enige te zijn die zich principieel hieraan verbond en zodoende mijn collega werd. Nu in 2019 acht hij de tijd rijp om met alle opgedane méér-kennis en ervaring een boek te schrijven over circulair beleid maken. Dat zal in 2020 worden gepubliceerd.

De relatie met het begrip ‘federalisering van Europa’
Nog verbonden aan de universiteit van Utrecht was ik in 1972 co-oprichter van de Vereniging voor Bestuurskunde en daarna als vice voorzitter belast met de portefeuille om in Nederland, en in internationaal verband, bestuurskunde opleidingen op te zetten. Het internationale werk vond plaats binnen het International Institute of Administrative Sciences (IIAS), de International Association of Schools and Institutes of Administration (IASIA) en de European Group of Public Administration (EGPA). 

In die verbanden leerde ik enkele Vlaamse collega’s kennen, verbonden aan diverse Belgische universiteiten. Met hen besprak ik de voortgang van de ingrijpende staatkundige hervormingen in België (gestart in 1960), bedoeld om de eenheidsstaat om te vormen tot een federale staat. Alleen door middel van een federale staat zouden Wallonië (Franstalig) en Vlaanderen (Nederlandstalig), en een klein Duitstalig gedeelte, kunnen blijven samenleven en samenwerken zonder op elkaar te gaan schieten. Toen pas leerde ik de intrinsieke betekenis van een federale staatsinrichting ter ondersteuning van de burgers in het nastreven van hun geluk. Omdat de principes van federalisering dus voortkomen uit dezelfde bron als het maken van beleid van onderop – namelijk uit het begrip ‘alle soevereiniteit berust bij het volk’ – ging ik naast het uitwerken van de methode van interactief beleid maken studeren op de elementaire bouwstenen van federalisering, toe te passen op het vestigen van een federaal Europa.

Om dichter bij het ingrijpende federaliseringsproces van België te komen besloot ik in 1996 te verhuizen naar België. Daar leerde ik een directeur van het Vlaamse ministerie van buitenlandse zaken kennen, Herbert Tombeur. Zijn kennis van federalisering vulde de hiaten die ondanks de intensieve studie over dit onderwerp bij mij waren ontstaan.

Mijn belangstelling ging vooral uit naar de manier waarop de eerste federale staat ter wereld werd opgericht door het werk van de 55 leden van de Conventie van Philadelphia in 1787, ondersteund door de 85 Federalist Papers van James Madison, Alexander Hamilton en John Jay tussen 1787 en 1788. Een van de zaken die aanspraken was het feit dat die Amerikaanse federatie was gebaseerd op het filosofisch denkwerk van Europese filosofen (Aristoteles, Althusius, Montesquieu, Rousseau) terwijl na 1787 steeds vergeefs was geprobeerd om ook voor Europa een federale staatsvorm te kiezen.

In 1999 schreef Robert Levine, een topambtenaar in de federale administratie van Amerika in de New York Times, dat de toenmalige EEG zichzelf geen dienst bewees om (krachtens het Verdrag van Maastricht in 1992) een monetaire unie op te richten zonder er eerst een federaal fundament onder te leggen. Hij stelde dat daarmee voor de euro een ongewisse toekomst werd georganiseerd en adviseerde om eerst zelf maar eens Federalist Papers te schrijven. Dat advies bleef lang hangen in de gesprekken tussen Herbert en mij. Omdat verder niemand in Europa zich dat advies had aangetrokken hebben wij besloten om dan zelf maar de European Federalist Papers te schrijven tussen augustus 2012 en mei 2013. In 26 Papers leggen we uit hoe slecht het verdragsrechtelijke intergouvernementele besturingssysteem van de EU is, waarom dat slecht is, wat de kracht van een federale staat is, waarom die in de plaats moet komen van het huidige systeem en hoe een knappe Europese federale constitutie eruitziet.

Resultaat? Nul. De politieke, wetenschappelijke en media-aandacht voor de manier waarop men een groep van landen moet besturen, die hun soevereiniteit en culturele identiteit willen behouden, maar bescherming willen vinden in een federaal orgaan dat hun gezamenlijke belangen behartigt was nul en is nog steeds nul.

Een Citizens’ Convention als verbinding tussen volkssoevereiniteit, circulair beleid maken en federalisering
Kijk nog eens naar de teksten hierboven over de verbinding tussen volkssoevereiniteit, circulair beleid maken en federalisering. Die verbinding slaat op wat men moet weten en hanteren voor een succesvol gecompliceerd veranderingsproces.

Volkssoevereiniteit is de fundamentele bron voor de creatie van een federale staat. Dat impliceert dat het volk zelf tekent voor een federale constitutie. Geen federale constitutie van, voor en door het volk? Dan ook geen federale staat. Maar dat tekenen – staatsrechtelijk heet dat ‘ratificeren’ – vereist een zodanige organisatie dat er garantie is voor twee zaken:

  • dat de constitutie daadwerkelijk van, voor en door de burgers is; dit impliceert het organiseren van fundamentele betrokkenheid van de burgers bij het omschrijven van de belangrijke inhoud van de constitutie;
  • dat de constitutie zelf perfect professioneel vakwerk moet zijn; dat impliceert dat goedwillende amateurs en dwaze beunhazen zich er niet mee mogen bemoeien.

Een Citizens’ Convention zoals die van Philadelphia in 1787 – een constitutionele en institutionele succesformule die zijn weerga niet kent – is het instrument om die twee garanties te bieden. In een boek dat u aan het slot van deze notitie ziet leg ik gedetailleerd uit hoe zo’n Conventie van 56 personen moet worden samengesteld, wat de opdracht is, hoe die moet worden uitgevoerd en welke rol en invloed in die uitvoering toekomen aan de burgers van Europa. Nu vermeld ik die rol en invloed door kortheidshalve te verwijzen naar onze methodologie van circulair beleid maken, zoals hierboven geschetst. Met die methodologie worden de burgers van Europa planmatig en systematisch betrokken bij de compositie van een federale constitutie. En dus niet door middel van goed bedoelde maar verkeerd georganiseerde verzamelingen van zogeheten ‘citizens’ assemblies’ die alleen maar quasi betrokkenheid kunnen realiseren omdat men methodologisch niet onderlegd is.

De noodzaak van verankeringen
Voortvloeiend uit het beginsel dat alle soevereiniteit berust bij de burger heb ik me vanaf 1970 dus beziggehouden met twee uitingen daarvan. In de eerste plaats de methodologie van beleid maken vanuit de samenleving zelf. In 2000 had ik er behoefte aan om mijn kennis – en de ervaringen met de toepassing daarvan – te verankeren in een trilogie. Hier ziet u de titelpagina’s. De twee eerste boeken zijn gratis te downloaden via de links: Beleid begint bij de samenleving en Vakvereisten voor Politiek en Beleid.

In het eerste boek legde ik de ervaringen met de methodologie vast, toegepast van begin jaren tachtig tot de eeuwwisseling. Het tweede boek bevat ongeveer 180 opstellen over geboden en verboden in politiek en beleid. Het derde boek is een onlinecursus om dit vak onder onze begeleiding te leren. De boogschutter met zijn pijl symboliseert dat je alleen je doel zult raken als je weet wat je allemaal moet doen voordat je de pijl laat gaan. Nu noemen we dat dus ‘circulair beleid maken’.

Ook het streven naar een federaal Europa is verankerd. Een van de belangrijkste oorzaken van het na tweehonderd jaar nog steeds ontbreken van een federaal Europa is de merkwaardige afwezigheid – ik meldde dit al – van een federatie van federalistische bewegingen. Hoeveel van dat soort bewegingen we ook hebben (gehad), het zijn allemaal gedecentraliseerd eenheidsbewegingen. Ze zijn nooit in staat en/of bereid geweest hun organisatiegraad te verhogen.

Federalistische organisaties die hetzelfde doel nastreven – in dit verband het vestigen van een federaal Europa – maar niet bereid zijn hun organisatiegraad te verstevigen zullen nooit hun doel bereiken. Daarom hebben zes personen, twee uit Italië (Lorenzo Sparviero en Mauro Casarotto), twee uit Frankrijk (Catherine Guibourg en Michel Caillouët) en twee uit Nederland (Peter Hovens en ik) in mei 2018 in Milaan de Federal Alliance of European Federalists (FAEF) opgericht. Die beoogt aan federalistische bewegingen en verder aan elke organisatie die een federaal Europa nastreeft, de bescherming van een federatie te bieden. Om op die manier kritische massa te maken door ‘Federating the Federalists’.

Een tweede doel dat we met FAEF nastreven is ‘Educating the Federalists’. We zien dat het op een zeer grote schaal ontbreekt aan gedegen kennis over wat een federatie is. Meningen genoeg, maar kennis ho maar. Politici die sinds het mislukte Verdrag van Maastricht van 1992 door begripsmatige onwetendheid onjuiste uitspraken doen over federalisering en een federaal Europa hebben bij burgers de mening doen ontstaan dat federalisering een slechte zaak is. Welnu, dat ligt op hetzelfde niveau als de bewering dat de aarde plat is en dat de zon om de aarde draait.

Ons doel is om de Verenigde Staten van Europa te creëren, waarbij we zo getrouw mogelijk het proces volgen dat zich in de 18e eeuw in Amerika heeft voltrokken. Zonder verhoging van de organisatiegraad van federalistische bewegingen en zonder het delen van de elementaire kennis die nodig is om een federaal Europa te maken, komen we geen stap verder.

Ook hier speelt de noodzaak tot verankering om te voorkomen dat ook dit federalistische initiatief van de FAEF wegspoelt in de reeks banaliteiten van de geschiedenis. Zie het logo van FAEF en mijn boek ‘Verbondenheid, Veiligheid en Voorspoed’ van 2018.

Om diepere kennis aan te bieden over federalisering heb ik een cursus ontwikkeld op de drie niveaus van het oude gildesysteem: leerling, gezel en meester.

Slot

President Bill Clinton maakte eens de volgende opmerking om het belang van economie te onderstrepen: “It is the economy, stupid.” Nu in vele landen in de wereld, en zeker niet alleen in Europa, de fundamenten van het begrip democratie eroderen is het tijd om een ander adagium te kiezen:

“It is NOT the economy, stupid. It is the sovereignty of the people,
organized within a true democracy,
based on a federal constitution,
under the rule of law.”

Democratiefestival: waarom is dat feestje?

Op 30 en 31 augustus heeft het Democratiefestival plaatsgevonden in Nijmegen. Ik moet eerlijk bekennen dat ik erover heb moeten nadenken. Wat is dit eigenlijk? En vooral waarom wordt dit georganiseerd? Wat is het doel precies?

Er is met de organisatie van dit evenement zo’n €1 miljoen gemoeid. Dat is een boel geld, maar als het dat waard is, dan moet het kunnen. Daarom nog maar een keer de vraag ‘Welk doel dient dit festival?’.

Op de website van het festival lees ik: ‘Democratie is niet vanzelfsprekend en heeft af en toe wat onderhoud nodig. Daarom vieren we op het Democratiefestival de democratie. We vieren dat we in een land leven waar iedereen zijn of haar mening mag geven, waar verschillen mogen zijn en waar we samen keuzes maken hoe moeilijk dat ook is. In steeds meer landen staat de democratie onder druk. De polarisatie lijkt het steeds meer te winnen van het compromis. Als we meer met elkaar praten en naar elkaar luisteren, komen we misschien wel dichter bij elkaar’.

Onze democratie is een groot goed en het staat inderdaad onder druk. Ik denk dat het handelen van politici in belangrijke mate bepaalt hoe de democratie wordt ervaren. Te veel mensen voelen zich buitengesloten, hebben afgehaakt en gaan niet meer naar de stembus. Er wordt niet naar hen geluisterd, over ‘beter naar elkaar luisteren’ gesproken.

Ik gok erop dat juist deze groep burgers zich niet op het festivalterrein heeft laten zien en dat de ergernis over het spenderen van overheidsgeld hieraan tot bepaalde uitingen (>-<: ‘@#%!’) heeft geleid. Zo neemt de polarisatie alleen maar toe.

Ik weet het, het klinkt weer treurig en verdrietig en weinig hoopvol.

Gelukkig heeft Shany Mor een meer optimistische visie op democratie. Hij laat zien in een essay in Tablet Magazine dat democratie zoveel meer is dan alleen maar het uitbrengen van een stem bij verkiezingen. Met de titel ‘Nobody Understands Democracy Anymore’ drukt hij uit dat we eigenlijk niet meer goed weten wat democratie nu precies betekent. Ik zou het begrip ‘rechtsstaat’ daaraan willen toevoegen.

Hij beweert dat we zaken als bestuur, volksvertegenwoordiging, wetgeving, rechtspraak, verkiezingen op een hoop gooien. We zien het onderscheid niet meer. Daarom kunnen we niet goed beoordelen hoe het met de democratie is gesteld.

  • En dat is niet raar als berichten in de krant verschijnen over een minister die zich (mogelijk) gemengd heeft in een specifieke rechtszaak.
  • En dat is niet verwonderlijk als politici ruzie maken en zich afsplitsen, wat leidt tot versplintering van politieke partijen.
  • En dat is niet gek als volksvertegenwoordigers met hun gezicht naar het bestuur staan en met de rug naar de samenleving en dus zelf bestuurdertje gaan spelen.
  • En dat is niet vreemd als wetten niet aan de Grondwet mogen worden getoetst.
  • En dat is niet maf als onze Grondwet niet eens een preambule bevat waarin de belangrijkste waarden zijn gedefinieerd, zoals de soevereiniteit van het volk.

In mijn Boek SamenWereld in wording ga ik nog een tijdje door met dit rijtje.

Wat hebben ze daar in Nijmegen eigenlijk zitten vieren?

Wat betekent ‘democratie’ trouwens voor jou?

Laat het me weten. Ik ben buitengewoon benieuwd.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld.

De brief van de burgemeester

Vorige week was Maxim Februari te gast bij VPRO’s Zomergasten. Hij liet fragmenten zien van de documentaire ‘De brief van de burgemeester’.

Deze documentaire uit 2014 gaat over een brief die de burgemeester van het Groningse dorp Finsterwolde stuurt aan bewoners van een buurt waar de omgeving verloedert, waar sociale problematiek heerst. Hij vertelt deze mensen dat hij zich zorgen maakt en dat hij de bewoners wil betrekken bij het oplossen van de problemen.

Een week later krijgen deze bewoners bezoek van een eigen-kracht-coördinator die met hen individuele gesprekken voert. Hieruit blijkt dat de buurtbewoners weliswaar negatieve verschijnselen waarnemen, maar zij ervaren die niet als een probleem. Ze zijn eigenlijk verbaasd over de brief.

Gaandeweg blijkt er toch wel een en ander aan de hand te zijn en raken de bewoners betrokken bij de vraagstukken. Tijdens een bewonersavond wordt alles nog eens op een rijtje gezet. Mooi om te zien dat er verbinding tussen de mensen is ontstaan: groepsgevoel en verantwoordelijkheidsbesef.

Dan is het schrikken, want de coördinator neemt na afloop van deze avond afscheid van de mensen en laat hen aan hun lot over. Maar dat pakt goed uit, want de bewoners worden zelf actief en steken de handen uit de mouwen om de verloedering aan te pakken en contacten met moeilijk bereikbare medebewoners te leggen.

Maar ze zijn ook afhankelijk van een woningbouwcorporatie. Wat een moeizame weg om daarmee te communiceren. Een directeur die de taal van het volk niet spreekt.

En de relatie met de overheid? Er is geen wethouder te bekennen noch een raadslid die zich de zorgen van de bewoners aantrekt. En de burgemeester? Hij heeft de boel weliswaar aangezwengeld, maar voor de rest zien we hem alleen maar in het filmpje op het moment dat hij een afvaardiging van de bewoners ontvangt in het gemeentehuis?

Waarom gaat deze burgervader niet naar de mensen toe?

De bewoners blijven vooralsnog – ondanks de positieve ontwikkelingen – hangen in de modus ‘eerst zien dan geloven’. Dat is hardnekkig, maar begrijpelijk, vertrouwen komt immers te voet.

Een omslag in het denken is nodig. En dat is vreselijk lastig. Dat geldt ook voor bewoners die eigen verantwoordelijkheid moeten nemen, maar de neiging hebben om te blijven leunen op de overheid. Dat is best een moeilijk proces, waarbij de mensen – zeker in het begin – een steuntje in de rug nodig hebben.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

1 2 3 6

Powered by WishList Member - Membership Software