Category Archives for Boek SamenWereld

Spelregel 7 Verkiezingsprogramma: een A4’tje is meer dan genoeg

Ik heb vorige week al aangekondigd dat ik op verzoek iets schrijf over verkiezingsprogramma’s. Met name vanwege de vraag hoe ik daartegen aankijk in relatie tot de opdracht aan de gemeenteraad om meteen na de verkiezingen een Samenlevingsagenda op te stellen.

Ik roep nog even in herinnering dat het bij het opstellen van de Samenlevingsagenda gaat om de volgende aspecten:

  • De agenda is een bondig document dat beschrijft wel maatschappelijke vraagstukken prioriteit krijgen in de nieuwe bestuursperiode. Welke problemen worden met voorrang aangepakt. Welke pijnpunten zijn aan het einde van de periode opgelost dan wel substantieel verzacht.
  • Bij elk maatschappelijk thema wordt beschreven waarom juist aan dat thema zo’n grote waarde wordt gehecht. Het gaat dus om de beantwoording van de ‘Waarom-vraag’.
  • De Samenlevingsagenda wordt na gemeen overleg onderschreven door (in beginsel) alle raadsleden.

Een verkiezingsprogramma heeft in mijn beleving op dit moment twee functies.

  1. Het programma moet kiezers ervan overtuigen c.q. over de streep te trekken om op jouw partij te stemmen.
  2. Het programma is een onderhandelingsdocument voor het na de verkiezingen op te stellen akkoord.

Als ik eerlijk ben dan zijn verkiezingsprogramma’s onleesbare verhalen, die door geen hond, laat staan een kiezer worden gelezen. Politieke partijen begrijpen dat ook wel en daarom maken ze daarnaast een samenvatting of een tien-punten-plan of iets dergelijks. Maar zelfs deze verkorte weergaven worden niet gelezen. Dat zou partijen toch aan het denken moeten zetten?

Wat doen kiezers die toch weloverwogen hun stem willen uitbrengen? Die wijken tegenwoordig ze uit naar een stemhulp, zoals Stemwijzer, Kieskompas en weet ik veel hoe ze allemaal heten. Deze hulpen zijn zeer dubieus. Vragen zijn niet helder, soms zelfs sturend, buitengewoon onbetrouwbaar. Uit een onderzoek van BNNVARA Kassa blijkt dat 40% van de ondervraagde invullers van zo’n stemhulp de vragen niet altijd begrijpt. In mijn boek wijd ik er nog enkele zinnen aan.

Het grootste probleem dat ik heb met de huidige verkiezingsprogramma’s is de enorme hoeveelheid aan oplossingen die wordt gepresenteerd. Ik heb voor de aardigheid enkele verkiezingsprogramma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen 2017 bekeken. 

Het is schrikbarend hoeveel pagina’s de programma’s beslaan. Meer dan 100 pagina’s is geen uitzondering. Sommige presenteren daarnaast een samenvatting of een leesbaar verhaal voor mensen die moeite hebben met lezen. Het aantal oplossingen/maatregelen/investeringsvoorstellen loopt uiteen van 11 tot ruim 600. Gemiddeld genomen zo’n 150 per partij.

Ik heb al in meerdere berichten gewaarschuwd voor het niet in de valkuil trappen van het oplossingendenken. Hoe is het mogelijk dat partijen zoveel oplossingen weten te verzinnen? En dat zonder eerst alle feiten op een rijtje te zetten, zonder het probleem in kaart te brengen, zonder gedegen probleemanalyse en zonder een haalbaarheidsdiscussie.

Men verzint met groot gemak oplossingen die niet haalbaar, niet betaalbaar en (rechtens) niet uitvoerbaar zijn. Op deze manier vragen politieke partijen er zelf om verwijten te krijgen dat beloften niet worden nagekomen.

Stop met deze onzin, a.u.b.

Beste politieke partij, beperk je bij het componeren van het verkiezingsprogramma tot de volgende aspecten. 

  1. Beschrijf in een of meerdere zinnen de bestaansgrond van je politieke partij. Waartoe ben je op aarde? 
  2. Benoem de thema’s/maatschappelijke vraagstukken die voor jou politiek van belang zijn in de nieuwe bestuursperiode. Het aantal mag je zelf weten. Bedenk hierbij dat, naarmate je meer thema’s benoemt, de boel wateriger wordt. Ik weet ook niet waar het grensnut (eerste wet van Gossen) ligt, maar laten we eens uitgaan van het bijzondere getal 7. Dus elke politieke partij kiest pakweg 7 voorkeursthema’s.
  3. Geef helder weer waarom deze thema’s prioriteit hebben. Als het goed is bestaat er een logisch verband tussen de ‘waaroms’ en de bestaansgrond van de partij.

Dat past volgens mij allemaal op een A4’tje. Het wordt op deze manier voor de kiezer gemakkelijker om een keus te maken.

Ga maar na. De eerste vraag die je moet beantwoorden is ‘Met welke van de genoemde bestaansgronden ben ik het (hartgrondig) eens?’ Als je daar één partij aan kunt koppelen, dan ben je klaar: keuze gemaakt.

Kun je dat niet, dan kun je gegarandeerd al meerdere partijen wegstrepen. Dan hou je er wellicht 2 à 3 over. Van deze partijen leg je de voorkeursthema’s naast elkaar en je bepaalt waar je eigen mening het beste op aansluit. De beantwoorde Waarom-vragen helpen je hier enorm bij.

Op deze manier kun je sneller en veel beter je stem bepalen dan via die vermaledijde stemhulpen. En je hoeft ook niet meer te kijken naar de lijsttrekkersdebatten op tv, waarbij de beste spindoctor wint.

Het is je vast opgevallen dat de hiervoor genoemde punten 2. en 3. precies aansluiten op de aspecten die van belang zijn om te komen tot de Samenlevingsagenda. Komt dat even goed uit.

Daarmee kan ik de volgende spelregel formuleren.

Spelregel 7

Politieke partijen schrijven voor kiezers toegankelijke verkiezingsprogramma’s die perfect preluderen op de Samenlevingsagenda. De programma’s bevatten de bestaansgrond van de partij, de prioritaire maatschappelijke thema’s en de uitleg waarom deze keuze is gemaakt. 

Op deze manier doen de verkiezingsprogramma’s precies wat ze moeten doen. Kiezers kunnen gemakkelijk hun stem bepalen en de volksvertegenwoordigers gaan grondig voorbereid het deliberatieve overleg (geen onderhandelingen!) in om gezamenlijk de Samenlevingsagenda te bepalen.

Tot zover spelregel 6 van de 19.

Wil je op deze spelregel reageren? Ik hoor het graag. Stuur hem gerust door.

Je kunt via een poll op mijn website aangeven ook aangeven of en in welke mate je het eens bent met deze en de vorige spelregels.

Volgende week stuur ik een bericht dat gaat over hoe de volksvertegenwoordiging de nadere invulling van de thema’s organiseert om te komen tot concrete uitvoeringsprogramma’s.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Spelregel 6: Wethouder worden? Aan een strikdiploma heb je niet genoeg

Ik heb vorige week uitgelegd dat we afscheid moeten nemen van de traditionele manier van collegevorming, waarbij gezocht wordt naar een getalsmatige meerderheid. Dat levert een coalitie op die een akkoord presenteert en zorgt voor de samenstelling van het college en de verdeling van de portefeuilles.

Wist je trouwens dat in 2019 in 26 gemeenten de coalitie is geklapt. Dat is dik 7%. Als je zonder coalitie werkt heb je dat probleem niet. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen politieke problemen kunnen ontstaan, maar dat even terzijde.

Zoals vorige week beschreven hecht ik eraan dat de gehele gemeenteraad streeft naar een unaniem akkoord over een samenlevingsagenda, die de belangrijkste thema’s bevat, waaraan wordt gewerkt in de nieuwe bestuursperiode. De politieke opgave is dan helder geformuleerd. 

Elk thema zal vervolgens worden uitgewerkt in een concreet uitvoeringsprogramma, waarover ik over twee weken meer zal vertellen. De uitvoering ligt vervolgens in handen van het college van B&W.

Deze andere insteek vraagt ook om een andere wijze van collegevorming. Niet langer meer dragen de collegevormende partijen hun wethouderskandidaten aan, die zonder serieuze vorm van screening worden benoemd.

Veel mensen verbazen zich erover dat voor topfuncties een vracht aan kennis en ervaring nodig is, inclusief een assessmentprocedure, terwijl voor een wethoudersfunctie bij wijze van spreken het strikdiploma volstaat.

Het kan anders, het moet anders.

Stap 1
Op basis van de thema’s uit het samenlevingsakkoord geeft de gemeenteraad op hoofdlijnen aan hoe de portefeuilleverdeling eruit moet zien. Tegelijkertijd stelt de raad een profiel van het college op, bijvoorbeeld een evenwichtige man-vrouwverhouding. Het profiel kan ook iets zeggen over de afspiegeling van het college ten opzichte van de raad.

Stap 2
De politieke partijen, die vertegenwoordigd zijn in de raad rekruteren gekwalificeerde personen. Ongeacht het aantal zetels in de gemeenteraad schuiven de partijen een of meerdere kandidaten naar voren.

Stap 3
De gemeenteraad deelt zichzelf op in commissies die gesprekken voeren met kandidaat-wethouders. Elke commissie neemt een portefeuille voor zijn rekening. Na de gesprekken selecteert elke commissie maximaal twee kandidaten, die worden toegelaten tot de volgende ronde.

Stap 4
In deze volgende ronde buigt een aparte raadscommissie – bijvoorbeeld samengesteld uit de fractievoorzitters – zich over de vraag hoe vanuit die selectie een evenwichtig college kan worden samengesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met het eerdergenoemde collegeprofiel.

Stap 5
Ten slotte worden de beoogd wethouders in een openbare zitting van de gemeenteraad als finale toets aan de tand gevoeld om na te gaan of ze voldoende bagage hebben om de buitengewoon verantwoordelijke job aan te kunnen.

Naast deze procedure zijn nog twee aspecten van belang.

Aspect 1
Het eerste aspect heb ik al verwoord in spelregel 2, namelijk dat wethouders niet meer afkomstig zijn uit de gemeenteraad. Ik herhaal het nog maar een keer. Je kunt je niet eerst laten kiezen als volksvertegenwoordiger om vervolgens bestuurder te worden. Het ambt van volksvertegenwoordiger mag nooit en te nimmer tweede keus zijn. Dus niet eerst wethouder willen worden en als dat niet lukt, dan ‘maar’ raadslid.

Aspect 2
Dit aspect heeft te maken met omvang van de functie. Ik stel voor dat een wethoudersfunctie altijd de omvang heeft van 1 fte. Je bent namelijk 24/7 wethouder. Parttime invulling verdraagt zich daar niet mee. Dit betekent trouwens niet dat een wethouder zijn baan niet zou kunnen combineren met zorgtaken thuis. Een wethoudersbaan is immers geen van-9-tot-5-job. Dus woensdagmiddag vrij voor de kinderen is geen probleem.

Vaak worden wethoudersfuncties in parttime stukjes geknipt om een afspiegeling te krijgen van de machtsverhoudingen van de coalitiepartijen. Dan krijg je wethouders van 0,7 fte of 0,85 fte. Wat een kolder. 

Gelukkig hoeft dat in de nieuwe opzet niet meer, omdat we de directe relatie met coalitievormende partijen – die niet meer bestaan – loslaten. We kunnen dat geforceerd rekenkundige werk achterwege laten.

Wijziging van de Gemeentewet
Dat betekent dat we artikel 36 van de Gemeentewet kunnen beperken tot lid 1 dat luidt: 

‘Het aantal wethouders bedraagt ten hoogste twintig procent van het aantal raadsleden, met dien verstande dat er niet minder dan twee wethouders zullen zijn.’

De leden die daarop volgen gaan over deeltijd en tijdsbestedingsnorm en kunnen dus worden geschrapt. Dat ruimt lekker op.

Spelregel 6 luidt derhalve:

Aan de benoeming van wethouders gaat altijd een serieuze selectieprocedure vooraf. Wethouders werken niet in deeltijd.

Tot zover spelregel 6 van de 18. (Inderdaad ‘18’, ik heb spelregel 6 extra toegevoegd).

Wil je op deze spelregel reageren? Ik hoor het graag.

Ik heb vorige week gemeld dat ik in mijn boek aandacht besteed aan een andere opzet van verkiezingsprogramma’s, die moet aansluiten bij de ambitie om een samenlevingsagenda te maken. Daar heb ik nieuwsgierige vragen over gekregen. Ik zal hierover volgende week een extra spelregel (dan komen we uit op ‘19’) opstellen.

Je kunt via een poll op mijn website aangeven ook aangeven of en in welke mate je het eens bent met deze en de vorige spelregels.

—————

Heb je vrienden, kennissen, collega’s die deze spelregel de moeite waard vinden, stuur dit bericht gerust door

Zij kunnen zich online aanmelden wanneer ze zelf de spelregels per e-mail willen ontvangen.

Nieuwkomers die zich aanmelden zal ik vragen van wie ze de tip om zich aan te melden hebben ontvangen. Als jij de meeste belangstellenden hebt aangeleverd, dan krijg je van mij het boek SamenWereld gratis en natuurlijk door mij gesigneerd.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Spelregel 5: Kgotla, via dialoog naar witte rook

Ik heb vorige week het voorstel gelanceerd om de volksvertegenwoordiging niet meer op te knippen in een deel dat we ‘coalitie’noemen en een deel dat de naam ‘oppositie’ krijgt.

De gemeenteraad, maar dat geldt ook voor provinciale staten en de Tweede Kamer, wordt daardoor enerzijds veel krachtiger en komt anderzijds tot betere besluiten. De kracht neemt toe, omdat hij niet langer de speelbal is van het college van Burgemeester en Wethouders en de besluiten worden beter, omdat gezamenlijk wordt gezocht naar de beste argumenten, die leiden tot de beste oplossingen.

Over twee weken ga ik in op de spelregel hoe zo’n besluitvormingsproces precies moet worden ingericht.

Nu sta ik stil bij de vraag hoe een en ander in zijn werk gaat meteen na de verkiezingen.

We zijn nu gewend dat na de verkiezingen een (in)formatieproces wordt gestart. In de praktijk start dit proces informeel ook al voor de verkiezingen, maar dat terzijde. 

De grootste partij krijgt het voortouw en probeert een meerderheid te vinden om samen met andere partijen een coalitie te vormen, waarbij het lang niet altijd gaat over de inhoud, maar ook over de poppetjes, over elkaar wel of niet iets gunnen. Wie kan met wie door welke deur?

Dat proces wordt afgerond met een coalitieprogramma en de benoeming van wethouders met de verdeling van de portefeuilles.

Wanneer we uitgaan van de situatie die ik voorsta, namelijk geen coalitie-oppositie, maar één gemeenteraad, dan is het aan dit orgaan om – in plaats van een coalitieprogramma – te komen tot een samenlevingsagenda.

Dit is een bondig document waarin beschreven wordt welke thema’s de grootste prioriteit krijgen in de komende bestuursperiode. Welke maatschappelijke vraagstukken krijgen de hoogste aandacht en worden stevig aangepakt. Wat is er over vier jaar ten goede gekeerd? Wat heeft de gemeente tegen die tijd voor elkaar gebokst?

De gekozen volksvertegenwoordigers staan meteen na de verkiezingen voor de opgave om de samenlevingsagenda met elkaar te bepalen en die wordt unaniem vastgesteld. In een openbare zitting komen de leden van de gemeenteraad bijeen en ze stoppen pas wanneer er witte rook is. Is dat na een dag, dan is dat heel mooi. Is dat na twee weken, dan is dat ook geen probleem.

De samenlevingsagenda benoemt niet alleen de prioritaire thema’s, maar beschrijft ook de vraag waarom juist deze thema’s zijn gekozen. Waarom zijn deze zo belangrijk voor de samenleving? Ook over ‘het waarom’ moet overeenstemming bestaan. 

De samenlevingsagenda gaat per se niet over de oplossingen van de maatschappelijke vraagstukken. Waarom niet? Omdat je pas oplossingen kunt geven na een grondige verkenning van het vraagstuk en een doorwrochte analyse. Als je dit namelijk niet doet dan trap je in de valkuil van het oplossingendenken, dat is een kapitale fout.

Een prachtige manier om er als gemeenteraad mee aan de slag te gaan is gebruik te maken van de op de Ubuntu-filosofie gebaseerde vergaderwijze LeKgotla of Kgotla (je speekt dit uit als ‘gotlâh’). Het beoogt om op een respectvolle manier met elkaar de dialoog aan te gaan. Er wordt naar elkaar geluisterd, de verschillende waarheden worden met elkaar gedeeld. Uiteindelijk volgt er een beslissing, ongeacht hoe lang dat duurt.

Uit: Willem H.J. de Liefde, African tribal leadership voor managers, van dialoog tot besluit, Kluwer, Deventer 2002, p.83

Hoe bepalen we nu precies de inhoud van de dialoog; wie bedenkt de thema’s? Deze worden ingebracht door de deelnemers en zullen waarschijnlijk afkomstig zijn uit de verschillende verkiezingsprogramma’s.

In de praktijk zal over de meeste thema’s geen verschil van opvatting bestaan, hooguit over de ‘waarom-vraag’. Door over en weer naar elkaar te luisteren en te streven naar ‘gedeeld begrip’ kom je daar wel uit.

De meest gevoelige zaken, waar op voorhand geen overeenstemming bestaat, zullen wat meer tijd vergen. Maar ook hier geldt dat er uiteindelijk een unaniem gedragen standpunt wordt bereikt. In de dialoog zal de verkiezingsuitslag op de achtergrond als toetsingskader een rol spelen. Respect voor de uitspraak van de kiezer is een belangrijk uitgangspunt. 

Je begrijpt natuurlijk dat deze andere wijze van het bepalen van de politieke agenda ook consequenties heeft voor het schrijven van de verkiezingsprogramma’s. Deze bevatten wat mij betreft ook geen oplossingen. Dat is een zegen, want dan kunnen de politieke partijen de kiezers ook geen zaken beloven, die niet kunnen worden waargemaakt. Ik zal daar in mijn boek verder op ingaan.

Al met al kom ik tot de volgende spelregel.

Spelregel 5

Aan het begin van een nieuwe regeerperiode stelt de volksvertegenwoordiging een samenlevingsagenda op, die de ambitie beschrijft welke indringende maatschappelijke vraagstukken worden aangepakt en waarom.

Mocht je je afvragen hoe het dan zit met de collegevorming? Daar gaat spelregel 6 over.

Tot zover spelregel 5 van de 17.

Wil je hierop reageren? Ga zeker je gang.

Je kunt via een poll op mijn website aangeven ook aangeven of en in welke mate je het eens bent met deze en de vorige spelregels.

—————

Heb je vrienden, kennissen, collega’s die deze spelregel de moeite waard vinden, stuur dit bericht gerust door

Zij kunnen zich online aanmelden wanneer ze zelf de spelregels per e-mail willen ontvangen.

Nieuwkomers die zich aanmelden zal ik vragen van wie ze de tip om zich aan te melden hebben ontvangen. Als jij de meeste belangstellenden hebt aangeleverd, dan krijg je van mij het boek SamenWereld gratis en natuurlijk door mij gesigneerd.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Spelregel 4: geen tweedeling maar verbinding binnen de gemeenteraad, wat een mooi vooruitzicht

Ik heb al een paar spelregels gewijd aan het beter laten functioneren van de volksvertegenwoordiging. De volgende spelregel is volgens mij cruciaal en buitengewoon eenvoudig uit te voeren bovendien. Hij luidt als volgt:

Spelregel 4
De volksvertegenwoordiging brengt geen tweedeling meer aan tussen oppositie en coalitie, maar opereert als één orgaan om het volk te vertegenwoordigen, de beleidskaders en wetten vast te stellen en de uitvoering te controleren.

In mijn boek ruim ik plaats in voor de opvattingen van de Duitse socioloog Jürgen Habermas. In deel 3 van mijn boek reserveer ik 7 hoofdstukken waarin ik een aantal onderwerpen nader verdiep. De Theorie van het Communicatieve Handelen van Habermas is daar een van.

Habermas onderscheidt twee werelden: de systeemwereld en de leefwereld. De systeemwereld kent twee subsystemen: de staat en de markt. In die wereld wordt geopereerd op basis van strategische overwegingen en voert eigenbelang de boventoon. In de leefwereld daarentegen is communicatie gericht op het komen tot gedeeld begrip.

Als we kijken hoe communicatie plaatsvindt binnen de volksvertegenwoordiging, bijvoorbeeld de gemeenteraad, dan kunnen we daarin de systeemwereld herkennen. Ik roep ook nog even de definitie van democratie van Schumpeter in herinnering (zie spelregel 2) die het had over de concurrentiestrijd om de stemmen. Het gaat om strijd om de macht. Die strijd – ook wel debat genoemd – zien we terug in de gemeenteraad tussen coalitiepartijen en oppositiepartijen.

Wanneer ik uitga van volkssoevereiniteit, hetgeen ik telkens doe, dan is mijn vertrekpunt de leefwereld. De wereld waarin we tot gedeeld begrip proberen te komen, tot overeenstemming, tot verbinding. Als we dat leefwereld-denken willen toepassen op de gemeenteraad dan moeten we het onderscheid loslaten tussen coalitie en oppositie. Dan zien we verschillende politieke partijen die middels dialoog op zoek gaan naar een gezamenlijke visie en naar gedragen oplossingen. Dat gebeurt door het over en weer uitwisselen van argumenten, waarbij de beste argumenten de doorslag geven. Dit hoeft niet per se te betekenen dat alle besluiten unaniem worden genomen (maar wel second best). Besluiten worden genomen op basis van meerderheden, die van geval tot geval door verschillende partijen worden gevormd.

Dit betekent simpel gezegd dat het automatisme dat een collegevoorstel door de coalitie wordt omarmd en door de oppositie wordt verworpen, tot het verleden behoort.

Dat is namelijk de situatie zoals we die nu (bijna overal) kennen. Een dergelijke situatie is voor collegeleden ideaal. Ze hebben vrij spel en daarmee feitelijk de macht in handen, want ze kunnen zo goed als altijd rekenen op een meerderheid in de raad. Daarnaast beschikken ze over een ambtelijk apparaat en kunnen fulltime met het werk bezig zijn.

Deze machtspositie van het bestuur verdraagt zich niet met het uitgangspunt dat het soevereine volk een deel van de macht toebedeelt aan de volksvertegenwoordiging. Binnen de lokale overheid hoort het primaat bij de gemeenteraad te liggen en dat is in de praktijk niet zo.

Al met al hebben raadsleden die behoren tot een van de coalitiepartijen meer macht of invloed op de gemeentelijke besluiten dan raadsleden van de oppositiepartijen. Uitgaande van de opvatting dat democratie gericht is op verkiezingen, die kiezers in staat stelt de kandidaat van hun voorkeur te kiezen, dan is (achteraf gezien) de stem van de ene kiezer dus meer waard dan die van de andere. Dit is strijdig met de gedachte dat verkiezingen vooral eerlijk moeten zijn. Dat zijn ze op deze manier, althans in hun uitwerking niet.

Voorts zal ik in mijn boek nog laten zien dat besluitvorming in een coalitie-oppositiesituatie lang niet altijd democratisch verloopt. Dat komt door de gevangenis, die we ook wel regeerakkoord noemen, waar de coalitie zichzelf in opsluit.

De gedachte van een kiezer dat zijn stem minder waard is, draagt niet bij aan het vertrouwen in de politiek. Als je telkens weer moet ervaren dat de partij waar je op hebt gestemd niet wordt gehoord, dan is dat onrechtvaardig.

De andere manier van werken, zoals ik voorstel in deze spelregel, zorgt voor meer eenheid, minder ruzie, minder lange vergaderingen en beter beleid met een groter draagvlak. Is dat geen mooi vooruitzicht?

Over beter beleid gesproken, ik hoor weleens de opvatting dat het goed is als er binnen een gemeenteraad stevig oppositie wordt gevoerd, dat dit de kwaliteit van de besluiten ten goede komt. Mijn ervaring is dat goede voorstellen vanuit oppositiepartijen zelden worden overgenomen. Dat past namelijk niet binnen het strategisch denken dat gericht is op stemmenwerving.

Dan komt er nog een vraag bovendrijven. Als er geen coalitie en oppositie meer is, wat betekent dat voor de samenstelling van het college van burgemeester en wethouders? Dat lijkt me een mooie vraag om mee te nemen bij de volgende spelregel die gaat over het opstellen van een samenlevingsagenda aan het begin van een nieuwe regeerperiode.

Tot zover spelregel 4 van de 17.

Wil je hierop reageren? Ga zeker je gang.

Je kunt via een poll op mijn website aangeven ook aangeven of en in welke mate je het eens bent met deze en de vorige spelregels.

—————

Heb je vrienden, kennissen, collega’s die deze spelregel de moeite waard vinden, stuur dit bericht gerust door.

Zij kunnen zich online aanmelden wanneer ze zelf de spelregels per e-mail willen ontvangen.

Nieuwkomers die zich aanmelden zal ik vragen van wie ze de tip om zich aan te melden hebben ontvangen. Als jij de meeste belangstellenden hebt aangeleverd, dan krijg je van mij het boek SamenWereld gratis en natuurlijk door mij gesigneerd.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Spelregel 3 Gezocht: volksvertegenwoordigers (1 fte)

Ik heb bij spelregel 2 al de uitspraak gedaan dat de functie van volksvertegenwoordiger het belangrijkst ambt ter wereld is. Nu zul je misschien hebben gedacht dat dit schromelijk overdreven is. Maar niets is minder waar.

Wat zich afspeelt in ons privédomein is helemaal je eigen zaak. Daar ga jij alleen over, eventueel in samenspraak met naasten. Je besluit zelf hoe je wilt leven, welke kleren je aantrekt, hoe laat je ’s ochtends opstaat als je verder geen verplichtingen hebt, welk eten je klaarmaakt voor je avondmaal, hoe je je huis inricht en zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan.

Het wordt een ander verhaal wanneer je de publieke ruimte betreedt. Daar heb je in je eentje geen zeggenschap over. Je kunt niet zelf bepalen wanneer de straat waar je woont van een nieuwe deklaag wordt voorzien. Je gaat niet over de vraag of er in je dorp een basisschool komt of dat er appartementen worden gebouwd. Je hebt ook geen zeggenschap over de hoogte van de uitkering die een werkloze ontvangt en ook niet over de hoogte van de belasting die je betaalt.

Maar dat zijn wel aspecten die elk individu in meer of mindere mate raken. Toch heb je daar zeggenschap over, weliswaar niet als individu, maar wel als collectief.

Gaan de vraagstukken over de eigen leefomgeving dan kun je je met medebewoners organiseren en een vereniging of coöperatie vormen en eigen verantwoordelijkheid nemen. Daar heb ik het bij spelregel 1 uitvoerig over gehad.

Vallen vraagstukken buiten de scope van je leefomgeving dan hebben we een overheid die dat voor ons regelt. Zoals ik eerder heb betoogd wordt de link tussen burger en overheid gevormd door de volksvertegenwoordiging die langs democratische weg door de burgers is gekozen.

Wanneer je volksvertegenwoordiger bent, laad je een behoorlijke portie verantwoordelijkheid op je nek. Je moet besluiten nemen over zaken die burgers raken. Je stelt wetten vast die een dwingend karakter hebben richting burgers. Je moet voor die keuzes je oor te luister leggen bij het volk. Je moet met collega’s die wellicht andere opvattingen hebben op basis van argumenten tot een gezamenlijk oordeel zien te komen. Je moet ook nog een keer verantwoording afleggen over wat je met de stem van de kiezer hebt gedaan. En dat allemaal in het kader van het Algemeen Belang.

Is het dan niet raar dat volksvertegenwoordigers, behalve Tweede Kamerleden, worden afgescheept met een vergoeding? Sommigen hebben er een halve dagtaak aan.

Het Nationaal Raadsledenonderzoek 2017 wijst uit dat de gemiddelde tijdsbesteding van raadsleden aan het raadswerk 16,0 uur bedraagt. Naarmate de gemeentegrootte stijgt neemt het aantal uren toe.

Wat belangrijker is dan de totale tijdsbesteding is de tijd die wordt gespendeerd aan contacten met de mensen. Iets minder dan een derde van de tijd (eigenlijk is het – afhankelijk van de definitie – nog minder). Dat is mager.

Hier moet echt iets gaan veranderen, vandaar de volgende spelregel.

Spelregel 3
De leden van de gemeenteraden zijn fulltime in dienst van de samenleving en ontvangen daarvoor een passende schadeloosstelling en onkostenvergoeding.*

* Terminologie is conform die wordt gebruikt bij Tweede Kamerleden.

Nu weet ik dat er mensen zijn die vinden dat politici zakkenvullers zijn. Ik hoor niet tot die groep. Raadsleden zijn 24/7 volksvertegenwoordiger en moeten die functie daarom fulltime kunnen invullen tegen een ordentelijk salaris, laten we zeggen het salaris van een wethouder. Dat lijkt me wel zo eerlijk.

Dat zal er ook toe leiden dat meer mensen geïnteresseerd zijn om raadslid te worden. Meer kandidaten betekent ook meer kwaliteit. Nu snap ik ook dat er baantjesjagers op afkomen. Mooie klus voor de politieke partijen om het kaf van het koren te scheiden.

Het raadslidmaatschap is wat mij betreft allereerst een roeping. Het is bij uitstek een functie die moet worden uitgevoerd door mensen die daar hun ziel en zaligheid inleggen, met passie te werk gaan. Dit mag misschien zweverig klinken, maar als je om je heen kijkt ken je best wel raadsleden die aan dat profiel voldoen.

Dan rijst onmiddellijk de vraag wie dat dan gaat betalen. De belastingbetaler natuurlijk. Er is voldoende geld in Nederland. Het moet alleen aan de goede dingen worden uitgegeven. Mijn voorstel is zo’n goed ding. We kunnen trouwens met minder raadsleden toe, maar daar kom ik in een later stadium nog over te spreken.

Soms hoor ik hoor weleens dat het goed is als raadsleden ook nog een baan ernaast hebben, want dan staan ze ook echt midden in de maatschappij. Daar snap ik niks van. Wat heb je eraan als je elke dag om negen uur in de auto stapt, naar je werk gaat in een andere gemeente, daar telkens dezelfde collega’s tegenkomt en ’s avonds om vijf uur weer naar huis rijdt. Welke toegevoegde waarde heeft dat voor het raadswerk?

Hoe dan ook, kunnen er wel bezwaren worden ingebracht tegen deze spelregel, maar dan luidt de opdracht om die op te lossen. Voor zover ze niet kunnen worden weggenomen is de winst dusdanig groot dat de bezwaren maar heel betrekkelijk zijn.

Je weet dat mijn streven erop gericht is om de volksvertegenwoordiging weer de positie te geven die haar toekomt. Gewoon de leidende positie hebben. Ik weet zeker dar deze spelregel levert daar een belangrijke bijdrage aan levert.

Tot zover spelregel 3 van de 17.

Wil je hierop reageren? Ga zeker je gang.

En nog iets NIEUWS. Vanaf nu kun je via een poll op mijn website aangeven of en in welke mate je het eens bent met de spelregel.

—————

Volgende week stuur ik de vierde spelregel, die gaat ook over het versterken van de positie van de volksvertegenwoordiging.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Spelregel 2: Volksvertegenwoordiger zijn: eerste keus

In de eerste spelregel ben ik ingegaan op de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap om haar eigen boontjes te doppen als het gaat om de leefomgeving.

Maatschappelijke vraagstukken die het niveau van de gemeenschap ontstijgen worden overgedragen aan de overheid.

Wat betekent dit voor de volkssoevereiniteit? In de ogen van Jean Jacques Rousseau (1712 – 1778) kan de soevereiniteit niet worden gedeeld en niet worden vervreemd. Die blijft dus bij het volk. Maar hoe kan dan de overheid functioneren zonder de soevereiniteit?

Heel eenvoudig. Het volk draagt de macht over om die zaken te regelen die zijzelf als gemeenschap niet kan regelen. Maar behoudt dus de soevereiniteit, het hoogste gezag.

Als ik eerlijk ben en ik kijk hoe de overheid nu functioneert, dan kan ik weinig respect voor die soevereiniteit ontdekken. Burgers voelen zich niet serieus genomen door de overheid, worden slecht of helemaal niet gehoord, worden gebrekkig geïnformeerd, worden in een (te) laat stadium bij besluitvorming betrokken. Wat gaat er dan mis? Van alles.

De tweede spelregel gaat over het voorkomen van een van de missers die te maken heeft met het serieus nemen van de volksvertegenwoordiging, of beter gezegd van de kiezers.

Even weer terug naar de overdracht van de macht van het volk naar de overheid. Wat er strikt genomen gebeurt, is dat macht wordt overgedragen aan de volksvertegenwoordiging. Die volksvertegenwoordiging wordt gekozen door het volk.

Anders gezegd, het volk draagt de macht over aan het orgaan dat door hemzelf via democratische verkiezingen wordt gekozen. Dat orgaan is de gemeenteraad, provinciale staten, de Tweede Kamer of het algemeen bestuur van het waterschap.

Dat deze organen het belangrijkste zijn binnen de betreffende overheidslaag, bevestigt artikel 125, lid 1 van de Grondwet: ‘Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. (…).

Vanuit de gedachte van de volkssoevereiniteit is het logisch dat de raad de baas is in de gemeente. Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de volksvertegenwoordigende organen helemaal niet de baas zijn. Anders gezegd, het zijn de bestuursorganen die de machtigste posities bekleden.

Het Kabinet is machtiger dan de Tweede Kamer, het College van Burgemeester en Wethouders heeft meer macht dan de gemeenteraad. Datzelfde geldt mutatis mutandis voor het College van Gedeputeerde Staten versus Provinciale Staten en het dagelijks bestuur van het waterschap in vergelijking met het algemeen bestuur.

Als we recht willen doen aan de soevereiniteit van het volk dan moet de volksvertegenwoordiging weer in de positie moet worden gebracht die haar toekomt. Dat kan op verschillende manieren, die ik in mijn boek allemaal de revue laat passeren. Een daarvan heb ik verwoord in

Spelregel 2:
Deelnemers aan verkiezingen mogen na de verkiezingen geen bestuurlijke functie bekleden in een orgaan dat gelieerd is aan het gremium waarvoor de verkiezingen zijn georganiseerd.

Het is tegenwoordig meer regel dan uitzondering dat de lijsttrekkersplek en de daaropvolgende hoge posities op kandidatenlijsten worden ingenomen door hen die de intentie hebben om een plek in het bestuur te bemachtigen.

Een wethouder die meedoet aan de gemeenteraadsverkiezingen heeft de intentie om weer wethouder te worden en wil helemaal niet in de gemeenteraad. Toch doet hij mee aan de verkiezingen. Lijsttrekkers van grote partijen willen vaak niet in de Tweede Kamer gaan zitten, maar zijn kandidaat-premier. Hooggeplaatsten op de lijst willen na de verkiezingen bij voorkeur een ministerspost bekleden.

Door dit gedrag maken we de volksvertegenwoordiging tot een tweederangs club. Dat is een schande. Als je meedoet aan de verkiezingen dan zeg je in feite tegen de kiezer: ‘Ik ben beschikbaar om jou te vertegenwoordigen’. Dan geeft de kiezer je zijn stem, je wordt gekozen en enkele weken later zeg je tegen deze kiezer doodleuk: ‘Ik word wethouder en ik ga jou lekker niet vertegenwoordigen’.

Dan zou deze wethouder kunnen tegenwerpen dat hij voor de verkiezingen duidelijk heeft gemaakt wat zijn ambitie was en dat hij daar eerlijk over is geweest. Of hij zou kunnen zeggen: ‘Ik dien het volk toch door wethouder te zijn?

Dat kan op zichzelf wel waar zijn, maar het is niettemin een misvatting, een denkfout om zo te handelen.

Democratische verkiezingen gaan maar over één ding. Ik kleur als kiezer een bolletje rood voor de naam van de kandidaat waarvan ik vind dat hij of zij mij moet vertegenwoordigen in het parlement.

Verkiezingen gaan dus niet over de koers van het land, gaan niet over wie de grootste partij wordt en de premier mag leveren. Ze gaan niet over de samenstelling van het College van B&W. Bij provinciale statenverkiezingen gaat het niet over de vraag hoe straks de samenstelling van de Eerste Kamer eruitziet.

Hoe vaak komt het niet voor dat mensen strategisch gaan stemmen. Ze stemmen dan tactisch op een andere partij, dan waar hun politieke voorkeur naar uitgaat, om een bepaald strategisch resultaat te bereiken, zoals wie moet er in ’t torentje komen. Bizar, natuurlijk.

We moeten de zaak weer terugbrengen naar de kern.

Uitsluitend personen die de ambitie hebben om het belangrijkste ambt ter wereld (=volksvertegenwoordiger) te bekleden horen mee te doen aan verkiezingen.

Ik snap natuurlijk wel waarom dat gebeurt. De bestuurders zijn dikwijls de meest bekende personen, de stemmentrekkers en deze worden dan ook naar voren geschoven bij verkiezingen. Het streven naar zoveel mogelijk macht is kennelijk het doel van politieke partijen. En niet de vraag hoe kunnen we het beste onze kiezers vertegenwoordigen.

De Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter definieerde democratie als de institutionele regeling om tot politieke besluitvorming te komen, waarbij individuen de beslissingsmacht verkrijgen door middel van concurrentiestrijd om de stemmen van de burgers.

Deze definitie beschrijft precies zoals het is, maar dat is wat anders dan wat het zou moeten zijn, althans in mijn ogen.

Door de concurrentiestrijd voorop te stellen wordt een loopje genomen met het begrip ‘volkssoevereiniteit’ en wordt de kiem gelegd voor het creëren van een afstand tussen kiezers en gekozenen.

Komt ook nog eens bij dat er politieke partijen zijn die ministers in de campagnestrijd kunnen gooien en partijen die dat niet kunnen. Als alle politieke partijen nu eens achterwege laten om de mensen die geen plek in de volksvertegenwoordiging ambiëren op de kandidatenlijst te plaatsen, dan krijgen we een equal level playing field. Dat lijkt me wel zo fair.

Wat ik kortom voorstel is dat iemand die bijvoorbeeld de ambitie heeft om wethouder te worden geen plek inneemt op de lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen. Het raadslidmaatschap mag nooit een tweede keus zijn.

Tot zover spelregel 2 van de 17.

Wil je hierop reageren? Ga zeker je gang.

Oh ja, ik heb nog een vraag. Wanneer mijn boek uitkomt wil ik dat op een bijzondere manier presenteren. Heb jij een goed idee? Een idee dat natuurlijk past bij mijn boek en beslist niet alledaags mag zijn.

Als mijn boekpresentatie de uitvoering van jouw idee is, dan ontvang je van mij het boek gratis en gesigneerd.

Verras mij!

—————

Je kunt je online aanmelden wanneer jezelf de spelregels per e-mail wilt ontvangen.

Volgende week stuur ik de derde spelregel, die gaat over het waarderen van het werk van de volksvertegenwoordiger.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Spelregel 1: eigen verantwoordelijkheid eerst

Dit is de eerste spelregel die ik je wil presenteren. Een spelregel uit de categorie: ‘hoe mensen met elkaar omgaan’. De spelregel luidt als volgt:

Gemeenschappen organiseren zich door middel van (coöperatieve) samenwerkingsverbanden, hebben verantwoordelijkheden ten behoeve van de inrichting van de eigen leefgemeenschap en krijgen daartoe passende bevoegdheden en middelen.

Dit lijkt een heel eenvoudige spelregel, haast een open deur. Toch is dat niet zo. Het is een fundamentele spelregel en hij wordt voor zover ik heb kunnen nagaan nog niet toegepast. Ik heb hiertoe contact gehad met een aantal externe partijen om te kijken of er een programma bestaat om gemeenschappen te helpen zich te organiseren rondom het thema ‘leefgemeenschap’. Dit schijnt niet te bestaan. Geen probleem, dan ontwikkel ik zelf een programma.

Ik kom tot deze spelregel op basis van de volgende gedachtelijn, je raadt het al, namelijk gebaseerd op het begrip ‘volkssoevereiniteit’.

Wanneer het hoogste gezag bij het volk berust, dan heeft dat volk ook de plicht om de macht, die daar onlosmakelijk aan is gekoppeld, in te zetten voor zijn eigen welzijn. Om dit verder duidelijk te maken roep ik de hulp in van Johannes Althusius.

Althusius was een Duitse Calvinistische rechtsgeleerde die leefde van 1557 – 1638. Hij was van mening dat de soevereiniteit aan God toekwam, maar dat Hij dat gezag overdroeg aan het volk en dus niet aan een koning of een regering. Dat was in tijd een bijzonder standpunt.

In de ogen van Althusius is de mens een gemeenschapswezen; in een samenleving is iedereen op iedereen aangewezen. Een gemeenschap kent een aantal basiselementen, zoals familie, straat, wijk, gemeente, maar ook verenigingen. Ze leveren alle toegevoegde waarde voor het geheel. En elke burger neemt actief deel aan de gemeenschap.

Althusius ziet de samenleving als een organisme dat is opgebouwd uit meerdere lagen van basiselementen, van laag tot hoog, die met elkaar samenwerken. En – dan kom het – de lagere laag is superieur aan de hogere laag. Eigenlijk is dat logisch: immers bij het volk – als grondvlak van de samenleving – berust het hoogste gezag, de soevereiniteit.

Dat organisme ontwikkelt zich stapsgewijs, waarbij de gemeenschap:

  1. zijn eigen zaakjes regelt (door Calvinisten vandaag de dag nog steeds betiteld als ‘soevereiniteit in eigen huis’).
  2. De volgende stap is dat samenwerking met andere elementen op een hoger niveau wordt georganiseerd en waarbij de macht wordt gedelegeerd aan het hogere niveau via vertegenwoordigers van het eigen niveau. Deze vertegenwoordigers worden aangewezen. Er vinden geen verkiezingen plaats door het volk.
  3. Vervolgens kunnen stappen worden gezet naar nog een hoger niveau, et cetera.
  4. Vertegenwoordigers worden uit de groepen vertegenwoordigers van het lagere niveau aangewezen. Daarmee ontstaat een keten, waardoor het contact met de basis intact blijft.
  5. Vanaf het niveau van de samenleving betreden we het publiek domein en komen we in de wereld van de politiek.

Via onderstaande afbeelding breng ik het in beeld. In mijn boek leg ik dat wat verder uit.

Afbeelding met tekst, kaart

Automatisch gegenereerde beschrijving

Misschien herken je in een dergelijke opbouw het federale denken. De onderste laag dopt zijn eigen boontjes op basis van soevereiniteit en voor vraagstukken die zich op een hoger niveau afspelen wordt de macht op een hoger autonoom niveau gelegd. De uitvoering van die macht wordt door de lagere laag gerespecteerd. Andersom geldt dat de hogere laag zich niet bemoeit met de verantwoordelijkheden van de lagere laag. Althusius wordt dan ook wel beschouwd als de grondlegger van het federalisme.

Kijken we naar de wijze waarop de Nederlandse staat is ingericht dan zien we juist het omgekeerde. De politieke macht ligt centraal op rijksniveau en vervolgens worden enkele bevoegdheden gedecentraliseerd naar provincies, gemeenten en waterschappen. In veel gevallen zijn deze bestuurslagen uitvoeringsorganisaties van het rijk met betrekkelijk geringe beleidsvrijheid. Dus precies het omgekeerde van wat Althusius bepleit.

Ik heb al eerder gemeld dat ik strikt wil vasthouden aan het begrip ‘volkssoevereiniteit’. Dat betekent dat ik de filosofie van Althusius volg. De eerste stap is dan dat de gemeenschap zijn eigen zaakjes regelt. Het beschikken over het hoogste gezag is namelijk niet onverplichtend.

Eerst als gemeenschap eigen verantwoordelijkheid nemen en pas daarna – als dat niet anders kan – verantwoordelijkheden en bevoegdheden naar boven toe delegeren, uiteindelijk naar de overheid. De lijn kun je binnen de overheid doortrekken, maar dat parkeer ik nu voor later.

Laat ik met het volgende voorbeeld een en ander duidelijk maken. Ik las onlangs in de krant het verhaal van een burger die zich ergerde aan het zwerfafval in zijn buurt. Hij besloot om zelf, gewapend met een prikker, een grijper en een vuilniszak, door de buurt te struinen om de straten in zijn omgeving schoon te maken.

Als snel vond de initiatiefnemer medestanders die samen met hem op pad gingen. Dit is een mooi voorbeeld van het nemen van eigen verantwoordelijkheid.

Maar nu komt het. Er zijn ook mensen die het maar een belachelijke zaak vinden dat een burger zoiets onderneemt. Zij vinden dat de gemeente het zwerfafval moeten opruimen.

De reactie van de initiatiefnemer hierop luidde als volgt: ‘Het is zeker een zaak van de gemeente, maar het gebeurt niet meer. Daar kun je van alles van vinden, maar de rommel wordt er niet door opgeruimd’.

Kijk, daar ben ik het dus niet mee eens. Het ophalen van zwerfafval kan prima worden georganiseerd door de gemeenschap zelf en daarmee is het wat mij betreft geen gemeentelijke taak.

In deze casus heb je drie posities:

  1. de gemeente is verantwoordelijk en moet de boel opruimen;
  2. de gemeente is verantwoordelijk, terwijl burgers de rommel opruimen;
  3. de gemeenschap is verantwoordelijk en ruimt het zwerfafval op.

Ik kies dus voor optie drie. Ik heb daarbij de stille hoop dat als neveneffect het laten slingeren van afval zal afnemen.

De keuze voor deze optie betekent trouwens ook dat de gemeente zich daar verder niet meer mee moet bemoeien. Tsja, ik voel nu al dat er mensen zijn, die zich hier heel ongemakkelijk bij voelen.

Stel je voor dat de gemeenschap zijn verantwoordelijkheid niet neemt, wat dan? Ik ben daar niet bang voor. De gemeenschap neemt zijn verantwoordelijkheid wel, omdat er geen gemeente is die dit overneemt. Dat is dus heel anders dan de situatie van nu: ‘we doen niets, want uiteindelijk ruimt de gemeente het wel op’.

De door mij geschetste situatie ontstaat niet vanzelf, daar is wel wat voor nodig:

  1. gemeenschappen moet zich dusdanig organiseren dat ze die verantwoordelijk ook kunnen dragen;
  2. gemeenten moeten durven loslaten;
  3. gemeenschappen beschikken over de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en de middelen.

In mijn boek SamenWereld werk ik dit verder uit.

Tot zover spelregel 1 van de 17.

Wil je hierop reageren? Ga zeker je gang en laat een bericht hieronder achter.

—————

Wil je de spelregels rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Je kunt je hiervoor online aanmelden.

Volgende week stuur ik de tweede spelregel, die gaat over welke mensen vooral niet aan verkiezingen mogen deelnemen.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Het balletje gaat rollen

Dit is het eerste bericht in 2020.
Ik wens jou en je dierbaren veel geluk en goeds toe in dit nieuwe jaar.

Voor mij persoonlijk wordt dit jaar bijzonder vanwege het verschijnen van het boek SamenWereld waaraan ik nu zo’n anderhalf jaar werk. De publicatie is overigens niet het eindpunt van mijn missie, maar dan begint het eigenlijk pas.

Ik heb de overtuiging dat wij – burgers, overheid, maatschappelijke instellingen en vooral samen – veel beter kunnen presteren. Met mijn boek breng ik een balletje aan het rollen dat steeds groter zal worden.

Dat kan ik natuurlijk niet alleen, maar daar heb ik jou en anderen voor nodig. Ik wil deze fase van de aanstaande publicatie gebruiken om het balletje in beweging te brengen. Ik zal je uitleggen wat mij daarbij voor ogen staat.

Ik heb in eerdere berichten al gewezen op het belang dat ik hecht aan het begrip ‘volkssoevereiniteit’. Dat betekent zoveel als: ‘het hoogste gezag berust bij het volk’.

Vanuit dit begrip kijk ik naar de samenleving, naar de overheid en naar andere instanties die actief zijn in het publieke domein. Ik hou daar zeer consequent aan vast, anders ga ik zweven.

Daarnaast heb ik genoten van het boekje Groter denken, Kleiner doen van Herman Tjeenk Willink. De ondertitel luidt: Een oproep. Zijn oproep is gericht aan iedereen die zich net als hij zorgen maakt over de kwaliteit en stabiliteit van onze democratische rechtsorde.

In een interview zei hij dat we met ons allen spelregels moeten verzinnen. Welnu, ik wil met mijn boek een aantal van die spelregels formuleren.

Ik heb er op dit moment 17 bedacht – alle rustend op het fundament ‘volkssoevereiniteit’ en geordend rond de volgende thema’s:

  • hoe burgers met elkaar omgaan;
  • hoe de overheid met burgers omgaat;
  • hoe burgers met de overheid omgaan;
  • hoe de overheid met zichzelf omgaat.

Ik wil deze spelregels in de komende 17 weken als een soort preview van mijn boek presenteren. Aan het einde van deze e-mailserie wordt het boek gepubliceerd.

Mijn vraag aan jou is of je deze e-mail kunt doorsturen naar vrienden, bekenden, collega’s, die mogelijk belangstelling hebben voor de spelregels, waarvan ik je nu al kan melden dat de meeste volstrekt uniek zijn, voor verrassing en misschien verwarring zorgen.

Belangstellenden kunnen zich als ze dat willen online aanmelden om de spelregels te ontvangen. Dat hoef je niet te doen als je al op mijn mailinglijst staat.

Ik zal de nieuwkomers vragen van wie ze de tip hebben ontvangen om zich aan te melden. Als jij de meeste belangstellenden hebt aangeleverd, dan krijg je van mij het boek SamenWereld gratis en natuurlijk door mij gesigneerd.

Ik stuur je morgen de eerste spelregel, die betrekking heeft op het thema ‘hoe burgers met elkaar omgaan’.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Gezocht: échte volksvertegenwoordigers!

Vorige week ging mijn bericht over mijn wens dat iedereen lid wordt van een politieke partij.

Wat je daar ook van vindt, dat zou er in ieder geval voor zorgen dat de vijver, waaruit men geschikte personen voor politieke functies kan vissen, behoorlijk zou toenemen.

Gelet op de geringe afmetingen van de huidige politieke vijvers is substantiële groei een noodzakelijke voorwaarde om betere volksvertegenwoordigers en betere bestuurders te krijgen.

Ik hoorde ergens de uitspraak: we hebben niet meer democratie, maar beter beleid nodig. Daar ben ik het helemaal mee eens en daar heb je die meer gekwalificeerde functionarissen voor nodig.

Als de overheid beter presteert hoef ik me als burger minder druk te maken over de dagelijkse politieke gang van zaken. Dan hoef ik ook geen referendum om mij te kunnen uitspreken over een Associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne, om maar iets heel onnozels te noemen.

De genoemde noodzakelijke voorwaarde is nog geen voldoende voorwaarde. Wat er nodig is dat is dat politieke partijen een adequaat selectiemechanisme ontwikkelen om te bepalen welke partijgenoten geschikt zijn om raadslid of wethouder te worden, kamerlid of minister.

Laat ik me nu even beperken tot de functie van volksvertegenwoordiger. Over welke kwaliteiten zou zo iemand moeten beschikken? Waar selecteer ik kandidaten op?

Ik heb het idee dat op dat punt de plank nogal eens wordt misgeslagen.

Wie wordt politicus van het jaar 2019? Dat zou zomaar Pieter Omtzigt (CDA) kunnen worden. Diezelfde Omtzigt werd door de kiescommissie bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2012 niet op de kandidatenlijst geplaatst. Het congres greep in en zette hem op een onverkiesbare 39e plek. Dankzij 36.750 voorkeursstemmen werd hij (weer) in de Tweede Kamer gekozen.

Ik zag de samenstelling van de kandidatencommissie van een politieke partij ten behoeve van de volgende Tweede Kamerverkiezingen. Bijna alle leden van die commissie zijn bestuurders. Waarom doen ze dit, vraag ik me af? Soort zoekt soort, bestuurder zoekt bestuurder, terwijl we volksvertegenwoordigers nodig hebben, want daar gaan die verkiezingen over.

We hebben de echte volksvertegenwoordigers zo hard nodig in een wereld waarin raadsleden graag voor wethouder spelen en Tweede Kamerleden liefst minister zijn. We hebben politici nodig die echt contact hebben met de burgers en deze vertegenwoordigen. Geen gekozenen, die stapels papier lezen om te kijken of de ambtenaar ergens een typefout heeft gemaakt.

Wat zijn de eigenschappen waar een goede volksvertegenwoordiger over moet beschikken?

Heb je daar een mening over? Welke selectiecriteria zou jij gebruiken?

Ik hoor het graag.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Allemaal lid van een politieke partij: droom of nachtmerrie?

Gemeenschappen moet zich sterker organiseren om hun eigen verantwoordelijkheden waar te maken. Dat is beter voor de gemeenschap – zij weet zelf het beste wat goed voor haar is – en het is beter voor de overheid, want dan wordt zij ontlast.

Burgers pakken zich goed samen als het gaat om het oprichten van een voetbalclub of om lid te worden van IVN of om een buurtvereniging te vormen. Dat is een goede zaak. Daar mag wat mij betreft nog een tandje bij worden gezet, namelijk dat burgers in een wijk of dorp zich samenpakken om de eigen leefbaarheid te regelen.

Dan nemen ze verantwoordelijkheid voor een schone, hele en veilige omgeving. Maar dat niet alleen, het omzien naar de medemens groeit op een natuurlijke manier. Gewoon even de vraag stellen: ‘Hoe is het met mijn buurman of -vrouw en kan ik iets voor hem of haar betekenen?’

Op dat vlak is nog een wereld te winnen.

Dat geldt ook voor het publieke domein als geheel. De prestaties van de overheid kunnen alleen maar toenemen als ze burgers in positie brengt om te participeren. En vooral wanneer burgers zich beter weten te organiseren.

Op het snijvlak van leef- en systeemwereld functioneren de politieke partijen. Dat zijn verenigingen van burgers en ze hebben directe invloed op de kwaliteit van politici en bestuurders. Wat zou het mooi zijn als deze verenigingen de smeerolie zijn, quod non.

In het ideale plaatje, althans mijn ideale plaatje, zijn alle burgers lid van een politieke partij. Daar zitten we op dit moment met 2,4% van de kiesgerechtigden wel heel ver vanaf.

Hoe komt dat? Waarom sluiten burgers zich niet aan bij een of andere politieke vereniging? Waarom wel doneren aan Greenpeace of lid van worden van een postzegelclub; waarom niet van een politieke organisatie?

Enkele weken geleden stond in Elseviers Weekblad een opiniebijdrage van Roelof Bouwman met de titel ‘Als lid van een politieke partij ben je een beetje een sukkel’. Zou het dat zijn?

In NRC van dit weekend las ik een artikel over onder andere Paul Verhaeghe, die vaststelt dat we een tragedie (bijvoorbeeld klimaatverandering) nodig hebben om te zoeken naar collectieve oplossingen. Dat lukt niet als we daarnaast geen verbindende politieke leiders hebben, die het voortouw nemen. Die hebben we dus niet. Misschien is dat wel het probleem?

Hoe dan ook, ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe het bij jou zit. Waarom ben je lid van een politieke partij? Of waarom niet? Misschien overweeg je wel om je aan te sluiten, of krijgt je er wellicht nachtmerries van? Of ben je ooit lid geweest, maar heb je je club de rug toegekeerd?

Waarom, waarom, waarom?

Laat het me weten. Ik ben erg benieuwd.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

1 2 3 7

Powered by WishList Member - Membership Software