Volkssoevereiniteit: grondslag voor circulair beleid maken en federalisering

Leo Klinkers, Den Haag, Augustus 2019

Het doel van deze notitie
Deze notitie is bestemd voor allen die het begrip ‘volkssoevereiniteit’ onderschrijven, maar regelmatig in de krant lezen dat politieke gezagsdragers dit begrip geweld aandoen. Niet alleen burgers hebben daar moeite mee. Ook sommige volksvertegenwoordigers, bestuurders en ambtenaren worstelen met het vraagstuk hoe samenleving en overheid zich tot elkaar dienen te verhouden. Maar als federalist denk ik vooral ook aan hen die pleiten voor een federaal Europa.

Het stoort federalisten dat al meer dan tweehonderd jaar vergeefs wordt geprobeerd om de federale Verenigde Staten van Europa op te richten. Ik ga proberen duidelijk te maken dat de oorzaak daarvan niet alleen ligt bij onwillige en onwetende Europese politici, maar ook – en misschien vooral – bij de federalisten zelf. In de veertig jaar dat ik mij in het thema van een federaal Europa heb verdiept zijn mij twee zaken duidelijk geworden.

Ten eerste. Ik schat dat 95% van de duizenden Europeanen die het federalisme belijden niet weet wat de essentie van federalisme is. Op grote schaal ontbreekt binnen federalistische bewegingen elementaire kennis inzake deze bijzondere vorm van staatsinrichting. Omdat men de vereiste kennis mist ontbreekt het ook aan een handelingsmotief én aan een handelingsperspectief. Wie niet weet waar het noorden ligt, die blijft dwalen. Mozes had maar veertig jaar nodig om het beloofde land te bereiken. De Europese federalisten zijn – na de succesvolle eerste federatie ter wereld in Amerika tussen 1787-1789 – al tweehonderd jaar op pad. Als ze elkaar tegenkomen in ‘de woestijn van de anarchie van Europese natiestaten’ maken ze liever ruzie dan met het organiseren van de gezamenlijkheid.

Ten tweede. Omdat ze nalaten de gezamenlijkheid te organiseren zijn de vele federalistische bewegingen niet in staat om zich te verenigen in een federatie van federalistische bewegingen. Hun organisatiegraad is beschamend plat. Wat men ook beweert, de bekende federalistische bewegingen in Europa zijn – slechts – gedecentraliseerde eenheidsbewegingen. Ze hebben zich niet één niveau hoger georganiseerd in een federatie van federalistische bewegingen met een diversiteit van motieven en culturen. Een federatie die kan zorgen voor het gezamenlijke belang van de afzonderlijke bewegingen: de oprichting van een federaal Europa.

Wat dit betreft zijn ze blind voor het bestaan van duizenden private federaties in Europa waarbij die van de voetbalwereld wellicht de meest opvallende is: individuele clubs > federale nationale bond > federale Europese UEFA > federale mondiale FIFA. Let nu goed op: die individuele voetbalclubs aan de basis van dat stelsel zijn baas in eigen huis, ze zijn en blijven soeverein, autonoom met hun eigen culturele identiteit, hun eigen bestuur, hun eigen ledenraad, hun eigen stadion, hun eigen shirt, hun eigen fanclub, hun eigen clublied, hun eigen kampioensfeest en hun eigen kerstfeest. De federale bond zorgt alleen voor zaken die individuele clubs niet zelf kunnen regelen, zoals bijvoorbeeld een wedstrijdschema dat duidelijk maakt tegen wie men de volgende week moet spelen. Alsook, bijvoorbeeld, de opleiding van scheidsrechters en de introductie van de VAR. Federalistische bewegingen die een federaal Europa nastreven hebben tot nu toe niets geleerd van de kracht van federaal organiseren.

De reeks ‘eigenheden’ van organen aan de basis van een federaal stelsel is synoniem met het eerste woord in de titel van dit stuk: volkssoevereiniteit. Het fundament van een federaal stelsel bestaat uit organen die baas zijn, en baas blijven, in hun eigen huis. En dat besef ontbreekt ten enenmale bij federalistische bewegingen. Het gebrek aan elementaire kennis inzake federalisme weerhoudt hen om samen een federaal stelsel op te richten zoals bijvoorbeeld die federale organisatievorm van voetbal. Of breder: de wereld van alle sportbeoefenaars die hun belangen vertegenwoordigd weten in het Internationale Olympische Comité (IOC) dat met zijn 205 federale ledenorganisaties miljoenen mensen in staat stelt te sporten en waar miljarden mensen met veel plezier naar kijken.

Ik ga nu even in op de drie begrippen in de titel van dit stuk: volkssoevereiniteit, circulair beleid maken en federalisering.

Terzijde nog deze noot: toen ik mijn gedachten ordende bleek dat deze notitie een exposé zou worden van alles wat ik vanaf 1970 heb geleerd. U leest dus het pad van mijn loopbaan.

De begrippen volkssoevereiniteit, circulair beleid maken en federalisering
Volkssoevereiniteit
Over het begrip ‘volkssoevereiniteit’ zijn sinds Aristoteles vele boeken geschreven. Het kan echter ook in één zin. Volkssoevereiniteit betekent: alle soevereiniteit berust bij het volk. Elke vorm van staatsinrichting en daaruit voortvloeiend beleid moet op dit adagium herleidbaar zijn. Voor burgers, waar ook ter wereld, geldt maar één waarde, namelijk het onvervreemdbare recht om hun geluk na te streven, daarbij gesteund door een zodanige inrichting van de staat dat die niet met zichzelf bezig is maar met een adequate inrichting van de staat waar beleid uit voortkomt dat het geluk van die burgers ondersteunt. Geluk in de meest ruime zin van het woord: vrijheid, veiligheid, ontplooiing, voorspoed, verbondenheid en genieten van de eigen culturele identiteit.

Circulair beleid maken
Het begrip ‘circulair beleid maken’ is afgeleid van het begrip ‘circulaire economie’. Dat is economie bedrijven zonder afval te produceren. Dus zonder vernietiging van natuur en milieu. ‘Circulair beleid maken’ is beleid ontwerpen en uitvoeren zonder beleidsafval te produceren zoals bijvoorbeeld over-organisering, over-juridificering, over-bureaucratisering, inspraak organiseren zonder er consequenties aan te verbinden en duurbetaalde beleidsnota’s die in een lade verdwijnen. Circulair beleid maken impliceert het opvangen van relevante signalen uit de samenleving, én daarna ook die signalen oppakken met maatregelen die herleidbaar zijn op dat adagium ‘alle soevereiniteit berust bij het volk’. Bij het volk berust ook alle wijsheid en waarheid. Mits op een goede manier verworven. Circulair beleid maken maakt deel uit van het meeromvattende begrip ‘Samenlevingsbeleid’. Daarover straks meer.

Tussen 1970 en 2017 noemde ik deze manier van werken ‘interactief beleid maken’ omdat het tot stand komt in een diepgaande dialoog met betrokken burgers en uitvoerders: dat heet werken van buiten naar binnen en van onderop. Ik stond daarin niet alleen. In 2004 kwam James Surowiecki met de benaming ‘The wisdom of the crowds’. Inmiddels is de term ‘interactief werken’ ernstig vervuild. Denken over vernieuwing staat echter nooit stil. Mijn collega Peter Hovens legde de relatie met circulaire economie en dus heet ons werk voortaan ‘de methodologie van circulair beleid maken’. Ik schets die zo meteen.

Federalisering
In 1787 maakten dertien staatjes in Amerika (voormalige koloniën van Engeland) de eerste federatie ter wereld – gebaseerd op het denkwerk van Europese filosofen. Federalisering is een vorm van samenwerking tussen landen waarbij de lidstaten soeverein en autonoom blijven maar enkele belangen die ze zelf niet (langer) kunnen behartigen in handen van een federaal orgaan leggen. Waar binnen federaties soms ernstige problemen ontstaan, zoals nu in Amerika, is dat niet terug te voeren op de constitutionele federale staatsinrichting maar op het ontbreken van ingebouwde verdedigingsmechanismen waardoor verkeerde personen de procedures van de democratie kunnen manipuleren om posities te verwerven ten eigen bate.

Sinds de komst van de eerste federatie in Amerika proberen duizenden burgers in Europa al tweehonderd jaar om een federaal Europa te vestigen. Dat is nog nooit gelukt, terwijl inmiddels 40% van de wereldbevolking in zevenentwintig federaties leeft. In die landen heeft men wél begrepen dat bij veranderende omstandigheden het maken van een federale staatsinrichting het beste instrument is voor het steunen van het streven naar geluk door de burgers.

Het ontwerpen van de methodologie
Tijdens mijn studie aan de juridische faculteit van de Rijksuniversiteit te Utrecht (1964-1968) leerde ik begrippen als soevereiniteit, democratie, trias politica, checks and balances, constitutionele monarchie, confederale en federale staten. Overigens zonder besef van hun werkelijke betekenis. Zoals de meeste studenten studeerde ik niet om mij te verdiepen, maar om op examens verplichte kennis te reproduceren om die daarna zo snel mogelijk weer te vergeten om in het hoofd ruimte te maken voor een nieuwe lading platte kennis voor het volgende examen.

In 1969 kreeg ik een baan bij een gemeente en leerde toen pas de diepere betekenis van beginselen van staatsrecht en bestuursrecht. Ik verbaasde mij echter over het feit dat men beleid maakte van bovenaf; vanuit de kennis, ervaring en dossiers van politici en ambtenaren; zonder raadpleging van betrokken burgers. Men maakte beleid zoals men dat al jaren deed. Naar eer en geweten, in de veronderstelling dat men op het gemeentehuis wel wist wat goed voor die burgers was. En dat is vandaag de dag niet anders.

In 1970 nam ik de uitnodiging aan om terug te keren naar de juridische faculteit om het onderwijs en onderzoek in de bestuurskunde op te bouwen. Toen pas ging ik studeren. Gesteund door omvangrijke bibliotheken ben ik het functioneren van overheden gaan analyseren. Ik ontdekte dat meer dan tien verschillende academische disciplines kennis bevatten die van toepassing is op het functioneren van overheden. Denk naast staats- en bestuursrecht aan bijvoorbeeld politieke/ theologische/humanistische filosofie, systeemtheorie, sociale psychologie, cybernetica, psychoanalyse, volkerenrecht, organisatietheorie, managementheorie, communicatietheorie, forensische psychiatrie, argumentatieleer, causaliteitsleer, formele logica, methoden en technieken van wetenschappelijk onderzoek en nog een paar die me nu niet te binnen schieten.

Door delen van die disciplines met elkaar te verbinden kon ik een methodologie ontwerpen voor resultaatgericht beleid maken, met volwaardige betrokkenheid van burgers en uitvoerders vanaf het allereerste begin van zo’n proces. Dus niet zoals het geval is met inspraak waarbij een overheid al heeft vastgesteld wat het probleem is en ook alvast de oplossing heeft bedacht. En vervolgens met de hakken in het zand gaat als insprekende burgers noch het probleem, noch de oplossing herkennen. Nee, ik heb het over beleid dat kan rekenen op draagvlak uit de samenleving en dat zich verzekerd weet van een actieve houding van de uitvoerders. Die methodologie – onder de naam ‘Samenlevingsbeleid’ – bestaat uit vier architecturen als de bouwstenen van een succesvol veranderingsproces:

  1. De architectuur van het doorbreken van de status quo. Die is nodig om een zodanig proces op te zetten dat er voldoende energie ontstaat om – zoals we dat noemen – een raket door de dampkring te jagen. Dus zoveel kracht ontwikkelen dat het beoogde proces de zwaartekracht weerstaat en niet terugvalt op de grond.
  2. De architectuur van doel stellen. Zonder zorgvuldige analyse en synthese worden in negen van de tien beleidsprocessen doelen geformuleerd conform de zogeheten ‘valkuil van het oplossingendenken’. Een doel is een oplossing voor een probleem. Zonder analyse (diagnose) van het probleem in zijn onderliggende oorzaken kan men geen werkbare synthese (therapie) voorstellen.
  3. De architectuur van doel bereiken. Als je op een methodisch zorgvuldige wijze het doel hebt vastgesteld wil het nog niet zeggen dat je dat dan ook zult bereiken. Deze architectuur staart zich niet blind op het te bereiken resultaat maar op het reduceren van onzekerheden die aan het resultaat in de weg staan.
  4. De architectuur van circulair beleid maken. In deze architectuur komen de drie voorgaande samen in daadwerkelijke toepassing in de volgende drie fasen.

A. Analysefase:
a. Samenstelling team: omvat team formatie, teambuilding, behuizing, materialen, apparatuur, budget.
b. Omgevingsanalyse: analyse van iedereen die erbij betrokken moet worden; het aantal is niet relevant; zijn het er dertig, oké; zijn het er dertigduizend, ook dan oké.
c. Consultatieronde: de sleutelfiguren uit de Omgevingsanalyse worden bij voorkeur één-op-één geconsulteerd door middel van een interview; ze worden, én blijven, bij het beleidsproces betrokken; naast één-op-één gesprekken hanteren we andere bevragingstechnieken voor grotere groepen mensen conform de methode van de zogeheten ‘nominale groep’.
d. Bloemlezing: wat de geraadpleegden inbrengen wordt zo letterlijk mogelijk vastgelegd en aan de geraadpleegden toegestuurd zodat ze zien dat er daadwerkelijk serieus met die inbreng wordt gehandeld.
e. Probleem- en oorzakenanalyses: het materiaal van de Bloemlezing wordt geanalyseerd op oorzakelijke ketens en hun gelaagde opbouw. Moraal: alleen als je het beleid concentreert op een aanpak van de onderste oorzakelijke lagen bereik je succes. Anders blijf je hangen in symptoombestrijding.
f. Expertmeetings: experts worden aan het werk gezet om eventuele blinde vlekken in de analyse op te sporen en ongedaan te maken.

B. Synthesefase
g. Visienota: in enkele pagina’s volgt een schets van het uiteindelijk te bereiken doel.
h. Strategische oplossingsrichtingen: zoals er meerdere wegen naar Rome leiden zijn er ook altijd meerdere oplossingsrichtingen.
i. Subdoelen: binnen die strategische oplossingsrichtingen zijn er tussendoelen. Voorbeeld. Als je vanuit Den Haag op weg gaat naar Rome – via België, Duitsland en Zwitserland – moet je als tussendoel zeker Maastricht of Brussel bereiken. Het bereiken van zo’n tussendoel is belangrijk omdat je dan twee dingen weet: je bent niet meer in Den Haag en je bent op de goede weg. Als je echter het bordje Hamburg ziet dan weet je ook twee dingen: je bent niet meer in Den Haag, maar wel op de verkeerde weg.
j. Concrete acties: het slot van het ontwikkelen van een circulair beleidsproces is vervat in een Actieboek. Het maken daarvan vereist bijzonder veel kennis en inzet anders worden het onzin-acties. De acties zijn gericht op het elimineren van de oorzaken die naar boven zijn gekomen bij de analyse.

C. Uitvoeringsfase
En dan pas begint het ‘echte’ werk: de concrete uitvoering van de concrete acties ter bereiking van de concrete tussendoelen, ter bereiking van het einddoel.
De methode wordt geleid volgens de beginselen van processturing, inclusief kennissturing en structuursturing onder het adagium: ‘Het proces is belangrijker dan het resultaat.’ En dat betekent dat je moet weten wat je nodig hebt en hoe je het moet doen.

De toepassing van deze methode in de praktijk
De constructie van de vier architecturen ontstond in de loop van de jaren zeventig. Eerst in ruwe contouren maar langzaam verfijnd door de bespreking hiervan met mijn bestuurskunde studenten en kleine projecten buiten de universiteit. Daardoor kreeg dat werk enige bekendheid, leidend tot een opdracht, in 1982, van de korpschef van de politie Amsterdam.

Door allerlei omstandigheden en ontwikkelingen was het korps verwikkeld in zaken van corruptie en fraude, had ruzie met het gemeentebestuur, het openbaar ministerie en met vele organisaties zoals het openbaar vervoer, de taxiwereld, de horeca, etc. De nieuwe korpschef had de opdracht om schoon schip te maken en – door zijn staf gesouffleerd over deze methodologie – zette mij aan het werk. Dat leidde tot een geheel nieuw korpsbeleid, een nieuwe organisatie en een nieuw management. Met een doorlooptijd van drie jaar. Het uit te voeren Actieboek omvatte ongeveer 150 projecten, vastgelegd in een Convenant, ondertekend door de burgemeester van Amsterdam, de minister van binnenlandse zaken, de minister van justitie, de hoofdofficier van justitie te Amsterdam en de korpschef zelf.

Deze opdracht deed mij besluiten om in 1983 de universiteit te verlaten. Vanaf dat moment is deze methode in tientallen projecten toegepast. Enkele voorbeelden:

  • Het Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer. In opdracht van de toenmalige Minister van Verkeer en Waterstaat is voor de Tweede Kamer een beleid ontwikkeld om doelen van verkeer en vervoer, van economie en van natuur- en milieu met elkaar te verenigen. Betrokkenheid van iedereen met gezag binnen economie, verkeer en vervoer, natuur en milieu. Het leidde in 1989 tot de val van het kabinet Lubbers II.
  • Begin jaren negentig een Europees structuurschema voor transnationaal verkeer en vervoer door alle landen van de toenmalige EEG, in opdracht van de Eurocommissaris voor Transport. Input van ministers, topambtenaren, captains of industry, experts en betrokken burgers door de hele wereld.
  • In de jaren negentig voor de gemeente Amsterdam – naast de strategie van politie en openbaar ministerie – het maken van een eigen gemeentelijke strategie met concrete acties ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Betrokkenheid uit alle sectoren en lagen van de samenleving.
  • Eveneens in de jaren negentig in opdracht van Rijkswaterstaat een beleid voor veiligheid voor alle interacties op de Noordzee: boten, vissers, toeristen, olie- en gasinstallaties, natuur en milieu.
  • Ook in de jaren negentig in opdracht van de Verenigde Naties (mede op aangeven van de EU) voor Bangkok een aanpak van de toenemende onleefbaarheid en verpaupering van dat deel van de stad waar het paleis van de Koning staat, enkele van de belangrijkste ministeries, de grootste markten en de mooiste tempels. Door gigantische mensenmassa’s en de uitstoot van gassen van voertuigen nam de leefbaarheid zienderogen af, konden ambtenaren hun werkplek niet bereiken, konden burgers hun voedsel niet halen op de markten, raakten tempels in verval en nam het toerisme af. De geschetste methode van werken is door de VN vervat in een instructie die door het VN-kantoor Bangkok is verspreid in de landen van Zuidoost-Azië.
  • Voor de regering van Suriname
  1. in opdracht van de minister van transport en communicatie een geïntegreerd verkeers- en vervoersbeleid;
  2. in opdracht van de minister van justitie en politie en van de minister van defensie, het ontwerpen van een geïntegreerd nationaal veiligheidsbeleid;
  3. in opdracht van de International Development Bank (IDB) een beleid tot versterking van de Surinaamse economie;
  4. in opdracht van de EU en het Suriname Business Forum een beleid tot verbetering van de zogeheten ‘ease of doing business’ conform de methodologie van de Wereld Bank;
  5. in opdracht van de vicepresident het ontwerpen van beleid tot vullen van hiaten in de wetgeving die krachtens de grondwet aanwezig zou moeten zijn, alsook het moderniseren van verouderde en vervallen wetgeving.
  • Meer recent, een onderzoek van de gemeente Voorst, naar de mogelijkheden om preventief te werken binnen het sociale domein om problemen te voorkomen die het geluk van (kwetsbare) inwoners ernstig dwarsbomen en die het financiële zwaard van Damocles – dat boven elke gemeente hangt – te verwijderen. Dit project werd voortreffelijk geleid door Koen van Bremen; hij is een van de oprichters van onze Coöperatie SamenWereld.

Ik laat het bij deze opsomming. Ze is alleen bedoeld om aan te geven dat deze methode op elk onderwerp van toepassing is, dus onafhankelijk van het beleidsterrein. Ze kan elke complexiteit aan, mits ….. er gewerkt kan worden zoals het hoort, dus volgens Standard Operational Procedures (SOP) die ik hierboven schetste.

Om kennis van deze SOP over te dragen heb ik tussen 1983 en 2000 vele meerdaagse cursussen verzorgd. In en buiten Nederland. Een van de cursisten was Peter Hovens. Hoewel anderen ook met deze methodologie gingen werken bleek Peter de enige te zijn die zich principieel hieraan verbond en zodoende mijn collega werd. Nu in 2019 acht hij de tijd rijp om met alle opgedane méér-kennis en ervaring een boek te schrijven over circulair beleid maken. Dat zal in 2020 worden gepubliceerd.

De relatie met het begrip ‘federalisering van Europa’
Nog verbonden aan de universiteit van Utrecht was ik in 1972 co-oprichter van de Vereniging voor Bestuurskunde en daarna als vice voorzitter belast met de portefeuille om in Nederland, en in internationaal verband, bestuurskunde opleidingen op te zetten. Het internationale werk vond plaats binnen het International Institute of Administrative Sciences (IIAS), de International Association of Schools and Institutes of Administration (IASIA) en de European Group of Public Administration (EGPA). 

In die verbanden leerde ik enkele Vlaamse collega’s kennen, verbonden aan diverse Belgische universiteiten. Met hen besprak ik de voortgang van de ingrijpende staatkundige hervormingen in België (gestart in 1960), bedoeld om de eenheidsstaat om te vormen tot een federale staat. Alleen door middel van een federale staat zouden Wallonië (Franstalig) en Vlaanderen (Nederlandstalig), en een klein Duitstalig gedeelte, kunnen blijven samenleven en samenwerken zonder op elkaar te gaan schieten. Toen pas leerde ik de intrinsieke betekenis van een federale staatsinrichting ter ondersteuning van de burgers in het nastreven van hun geluk. Omdat de principes van federalisering dus voortkomen uit dezelfde bron als het maken van beleid van onderop – namelijk uit het begrip ‘alle soevereiniteit berust bij het volk’ – ging ik naast het uitwerken van de methode van interactief beleid maken studeren op de elementaire bouwstenen van federalisering, toe te passen op het vestigen van een federaal Europa.

Om dichter bij het ingrijpende federaliseringsproces van België te komen besloot ik in 1996 te verhuizen naar België. Daar leerde ik een directeur van het Vlaamse ministerie van buitenlandse zaken kennen, Herbert Tombeur. Zijn kennis van federalisering vulde de hiaten die ondanks de intensieve studie over dit onderwerp bij mij waren ontstaan.

Mijn belangstelling ging vooral uit naar de manier waarop de eerste federale staat ter wereld werd opgericht door het werk van de 55 leden van de Conventie van Philadelphia in 1787, ondersteund door de 85 Federalist Papers van James Madison, Alexander Hamilton en John Jay tussen 1787 en 1788. Een van de zaken die aanspraken was het feit dat die Amerikaanse federatie was gebaseerd op het filosofisch denkwerk van Europese filosofen (Aristoteles, Althusius, Montesquieu, Rousseau) terwijl na 1787 steeds vergeefs was geprobeerd om ook voor Europa een federale staatsvorm te kiezen.

In 1999 schreef Robert Levine, een topambtenaar in de federale administratie van Amerika in de New York Times, dat de toenmalige EEG zichzelf geen dienst bewees om (krachtens het Verdrag van Maastricht in 1992) een monetaire unie op te richten zonder er eerst een federaal fundament onder te leggen. Hij stelde dat daarmee voor de euro een ongewisse toekomst werd georganiseerd en adviseerde om eerst zelf maar eens Federalist Papers te schrijven. Dat advies bleef lang hangen in de gesprekken tussen Herbert en mij. Omdat verder niemand in Europa zich dat advies had aangetrokken hebben wij besloten om dan zelf maar de European Federalist Papers te schrijven tussen augustus 2012 en mei 2013. In 26 Papers leggen we uit hoe slecht het verdragsrechtelijke intergouvernementele besturingssysteem van de EU is, waarom dat slecht is, wat de kracht van een federale staat is, waarom die in de plaats moet komen van het huidige systeem en hoe een knappe Europese federale constitutie eruitziet.

Resultaat? Nul. De politieke, wetenschappelijke en media-aandacht voor de manier waarop men een groep van landen moet besturen, die hun soevereiniteit en culturele identiteit willen behouden, maar bescherming willen vinden in een federaal orgaan dat hun gezamenlijke belangen behartigt was nul en is nog steeds nul.

Een Citizens’ Convention als verbinding tussen volkssoevereiniteit, circulair beleid maken en federalisering
Kijk nog eens naar de teksten hierboven over de verbinding tussen volkssoevereiniteit, circulair beleid maken en federalisering. Die verbinding slaat op wat men moet weten en hanteren voor een succesvol gecompliceerd veranderingsproces.

Volkssoevereiniteit is de fundamentele bron voor de creatie van een federale staat. Dat impliceert dat het volk zelf tekent voor een federale constitutie. Geen federale constitutie van, voor en door het volk? Dan ook geen federale staat. Maar dat tekenen – staatsrechtelijk heet dat ‘ratificeren’ – vereist een zodanige organisatie dat er garantie is voor twee zaken:

  • dat de constitutie daadwerkelijk van, voor en door de burgers is; dit impliceert het organiseren van fundamentele betrokkenheid van de burgers bij het omschrijven van de belangrijke inhoud van de constitutie;
  • dat de constitutie zelf perfect professioneel vakwerk moet zijn; dat impliceert dat goedwillende amateurs en dwaze beunhazen zich er niet mee mogen bemoeien.

Een Citizens’ Convention zoals die van Philadelphia in 1787 – een constitutionele en institutionele succesformule die zijn weerga niet kent – is het instrument om die twee garanties te bieden. In een boek dat u aan het slot van deze notitie ziet leg ik gedetailleerd uit hoe zo’n Conventie van 56 personen moet worden samengesteld, wat de opdracht is, hoe die moet worden uitgevoerd en welke rol en invloed in die uitvoering toekomen aan de burgers van Europa. Nu vermeld ik die rol en invloed door kortheidshalve te verwijzen naar onze methodologie van circulair beleid maken, zoals hierboven geschetst. Met die methodologie worden de burgers van Europa planmatig en systematisch betrokken bij de compositie van een federale constitutie. En dus niet door middel van goed bedoelde maar verkeerd georganiseerde verzamelingen van zogeheten ‘citizens’ assemblies’ die alleen maar quasi betrokkenheid kunnen realiseren omdat men methodologisch niet onderlegd is.

De noodzaak van verankeringen
Voortvloeiend uit het beginsel dat alle soevereiniteit berust bij de burger heb ik me vanaf 1970 dus beziggehouden met twee uitingen daarvan. In de eerste plaats de methodologie van beleid maken vanuit de samenleving zelf. In 2000 had ik er behoefte aan om mijn kennis – en de ervaringen met de toepassing daarvan – te verankeren in een trilogie. Hier ziet u de titelpagina’s. De twee eerste boeken zijn gratis te downloaden via de links: Beleid begint bij de samenleving en Vakvereisten voor Politiek en Beleid.

In het eerste boek legde ik de ervaringen met de methodologie vast, toegepast van begin jaren tachtig tot de eeuwwisseling. Het tweede boek bevat ongeveer 180 opstellen over geboden en verboden in politiek en beleid. Het derde boek is een onlinecursus om dit vak onder onze begeleiding te leren. De boogschutter met zijn pijl symboliseert dat je alleen je doel zult raken als je weet wat je allemaal moet doen voordat je de pijl laat gaan. Nu noemen we dat dus ‘circulair beleid maken’.

Ook het streven naar een federaal Europa is verankerd. Een van de belangrijkste oorzaken van het na tweehonderd jaar nog steeds ontbreken van een federaal Europa is de merkwaardige afwezigheid – ik meldde dit al – van een federatie van federalistische bewegingen. Hoeveel van dat soort bewegingen we ook hebben (gehad), het zijn allemaal gedecentraliseerd eenheidsbewegingen. Ze zijn nooit in staat en/of bereid geweest hun organisatiegraad te verhogen.

Federalistische organisaties die hetzelfde doel nastreven – in dit verband het vestigen van een federaal Europa – maar niet bereid zijn hun organisatiegraad te verstevigen zullen nooit hun doel bereiken. Daarom hebben zes personen, twee uit Italië (Lorenzo Sparviero en Mauro Casarotto), twee uit Frankrijk (Catherine Guibourg en Michel Caillouët) en twee uit Nederland (Peter Hovens en ik) in mei 2018 in Milaan de Federal Alliance of European Federalists (FAEF) opgericht. Die beoogt aan federalistische bewegingen en verder aan elke organisatie die een federaal Europa nastreeft, de bescherming van een federatie te bieden. Om op die manier kritische massa te maken door ‘Federating the Federalists’.

Een tweede doel dat we met FAEF nastreven is ‘Educating the Federalists’. We zien dat het op een zeer grote schaal ontbreekt aan gedegen kennis over wat een federatie is. Meningen genoeg, maar kennis ho maar. Politici die sinds het mislukte Verdrag van Maastricht van 1992 door begripsmatige onwetendheid onjuiste uitspraken doen over federalisering en een federaal Europa hebben bij burgers de mening doen ontstaan dat federalisering een slechte zaak is. Welnu, dat ligt op hetzelfde niveau als de bewering dat de aarde plat is en dat de zon om de aarde draait.

Ons doel is om de Verenigde Staten van Europa te creëren, waarbij we zo getrouw mogelijk het proces volgen dat zich in de 18e eeuw in Amerika heeft voltrokken. Zonder verhoging van de organisatiegraad van federalistische bewegingen en zonder het delen van de elementaire kennis die nodig is om een federaal Europa te maken, komen we geen stap verder.

Ook hier speelt de noodzaak tot verankering om te voorkomen dat ook dit federalistische initiatief van de FAEF wegspoelt in de reeks banaliteiten van de geschiedenis. Zie het logo van FAEF en mijn boek ‘Verbondenheid, Veiligheid en Voorspoed’ van 2018.

Om diepere kennis aan te bieden over federalisering heb ik een cursus ontwikkeld op de drie niveaus van het oude gildesysteem: leerling, gezel en meester.

Slot

President Bill Clinton maakte eens de volgende opmerking om het belang van economie te onderstrepen: “It is the economy, stupid.” Nu in vele landen in de wereld, en zeker niet alleen in Europa, de fundamenten van het begrip democratie eroderen is het tijd om een ander adagium te kiezen:

“It is NOT the economy, stupid. It is the sovereignty of the people,
organized within a true democracy,
based on a federal constitution,
under the rule of law.”

Powered by WishList Member - Membership Software