Category Archives for Boek SamenWereld

Volkssoevereiniteit: grondslag voor circulair beleid maken en federalisering

Leo Klinkers, Den Haag, Augustus 2019

Het doel van deze notitie
Deze notitie is bestemd voor allen die het begrip ‘volkssoevereiniteit’ onderschrijven, maar regelmatig in de krant lezen dat politieke gezagsdragers dit begrip geweld aandoen. Niet alleen burgers hebben daar moeite mee. Ook sommige volksvertegenwoordigers, bestuurders en ambtenaren worstelen met het vraagstuk hoe samenleving en overheid zich tot elkaar dienen te verhouden. Maar als federalist denk ik vooral ook aan hen die pleiten voor een federaal Europa.

Het stoort federalisten dat al meer dan tweehonderd jaar vergeefs wordt geprobeerd om de federale Verenigde Staten van Europa op te richten. Ik ga proberen duidelijk te maken dat de oorzaak daarvan niet alleen ligt bij onwillige en onwetende Europese politici, maar ook – en misschien vooral – bij de federalisten zelf. In de veertig jaar dat ik mij in het thema van een federaal Europa heb verdiept zijn mij twee zaken duidelijk geworden.

Ten eerste. Ik schat dat 95% van de duizenden Europeanen die het federalisme belijden niet weet wat de essentie van federalisme is. Op grote schaal ontbreekt binnen federalistische bewegingen elementaire kennis inzake deze bijzondere vorm van staatsinrichting. Omdat men de vereiste kennis mist ontbreekt het ook aan een handelingsmotief én aan een handelingsperspectief. Wie niet weet waar het noorden ligt, die blijft dwalen. Mozes had maar veertig jaar nodig om het beloofde land te bereiken. De Europese federalisten zijn – na de succesvolle eerste federatie ter wereld in Amerika tussen 1787-1789 – al tweehonderd jaar op pad. Als ze elkaar tegenkomen in ‘de woestijn van de anarchie van Europese natiestaten’ maken ze liever ruzie dan met het organiseren van de gezamenlijkheid.

Ten tweede. Omdat ze nalaten de gezamenlijkheid te organiseren zijn de vele federalistische bewegingen niet in staat om zich te verenigen in een federatie van federalistische bewegingen. Hun organisatiegraad is beschamend plat. Wat men ook beweert, de bekende federalistische bewegingen in Europa zijn – slechts – gedecentraliseerde eenheidsbewegingen. Ze hebben zich niet één niveau hoger georganiseerd in een federatie van federalistische bewegingen met een diversiteit van motieven en culturen. Een federatie die kan zorgen voor het gezamenlijke belang van de afzonderlijke bewegingen: de oprichting van een federaal Europa.

Wat dit betreft zijn ze blind voor het bestaan van duizenden private federaties in Europa waarbij die van de voetbalwereld wellicht de meest opvallende is: individuele clubs > federale nationale bond > federale Europese UEFA > federale mondiale FIFA. Let nu goed op: die individuele voetbalclubs aan de basis van dat stelsel zijn baas in eigen huis, ze zijn en blijven soeverein, autonoom met hun eigen culturele identiteit, hun eigen bestuur, hun eigen ledenraad, hun eigen stadion, hun eigen shirt, hun eigen fanclub, hun eigen clublied, hun eigen kampioensfeest en hun eigen kerstfeest. De federale bond zorgt alleen voor zaken die individuele clubs niet zelf kunnen regelen, zoals bijvoorbeeld een wedstrijdschema dat duidelijk maakt tegen wie men de volgende week moet spelen. Alsook, bijvoorbeeld, de opleiding van scheidsrechters en de introductie van de VAR. Federalistische bewegingen die een federaal Europa nastreven hebben tot nu toe niets geleerd van de kracht van federaal organiseren.

De reeks ‘eigenheden’ van organen aan de basis van een federaal stelsel is synoniem met het eerste woord in de titel van dit stuk: volkssoevereiniteit. Het fundament van een federaal stelsel bestaat uit organen die baas zijn, en baas blijven, in hun eigen huis. En dat besef ontbreekt ten enenmale bij federalistische bewegingen. Het gebrek aan elementaire kennis inzake federalisme weerhoudt hen om samen een federaal stelsel op te richten zoals bijvoorbeeld die federale organisatievorm van voetbal. Of breder: de wereld van alle sportbeoefenaars die hun belangen vertegenwoordigd weten in het Internationale Olympische Comité (IOC) dat met zijn 205 federale ledenorganisaties miljoenen mensen in staat stelt te sporten en waar miljarden mensen met veel plezier naar kijken.

Ik ga nu even in op de drie begrippen in de titel van dit stuk: volkssoevereiniteit, circulair beleid maken en federalisering.

Terzijde nog deze noot: toen ik mijn gedachten ordende bleek dat deze notitie een exposé zou worden van alles wat ik vanaf 1970 heb geleerd. U leest dus het pad van mijn loopbaan.

De begrippen volkssoevereiniteit, circulair beleid maken en federalisering
Volkssoevereiniteit
Over het begrip ‘volkssoevereiniteit’ zijn sinds Aristoteles vele boeken geschreven. Het kan echter ook in één zin. Volkssoevereiniteit betekent: alle soevereiniteit berust bij het volk. Elke vorm van staatsinrichting en daaruit voortvloeiend beleid moet op dit adagium herleidbaar zijn. Voor burgers, waar ook ter wereld, geldt maar één waarde, namelijk het onvervreemdbare recht om hun geluk na te streven, daarbij gesteund door een zodanige inrichting van de staat dat die niet met zichzelf bezig is maar met een adequate inrichting van de staat waar beleid uit voortkomt dat het geluk van die burgers ondersteunt. Geluk in de meest ruime zin van het woord: vrijheid, veiligheid, ontplooiing, voorspoed, verbondenheid en genieten van de eigen culturele identiteit.

Circulair beleid maken
Het begrip ‘circulair beleid maken’ is afgeleid van het begrip ‘circulaire economie’. Dat is economie bedrijven zonder afval te produceren. Dus zonder vernietiging van natuur en milieu. ‘Circulair beleid maken’ is beleid ontwerpen en uitvoeren zonder beleidsafval te produceren zoals bijvoorbeeld over-organisering, over-juridificering, over-bureaucratisering, inspraak organiseren zonder er consequenties aan te verbinden en duurbetaalde beleidsnota’s die in een lade verdwijnen. Circulair beleid maken impliceert het opvangen van relevante signalen uit de samenleving, én daarna ook die signalen oppakken met maatregelen die herleidbaar zijn op dat adagium ‘alle soevereiniteit berust bij het volk’. Bij het volk berust ook alle wijsheid en waarheid. Mits op een goede manier verworven. Circulair beleid maken maakt deel uit van het meeromvattende begrip ‘Samenlevingsbeleid’. Daarover straks meer.

Tussen 1970 en 2017 noemde ik deze manier van werken ‘interactief beleid maken’ omdat het tot stand komt in een diepgaande dialoog met betrokken burgers en uitvoerders: dat heet werken van buiten naar binnen en van onderop. Ik stond daarin niet alleen. In 2004 kwam James Surowiecki met de benaming ‘The wisdom of the crowds’. Inmiddels is de term ‘interactief werken’ ernstig vervuild. Denken over vernieuwing staat echter nooit stil. Mijn collega Peter Hovens legde de relatie met circulaire economie en dus heet ons werk voortaan ‘de methodologie van circulair beleid maken’. Ik schets die zo meteen.

Federalisering
In 1787 maakten dertien staatjes in Amerika (voormalige koloniën van Engeland) de eerste federatie ter wereld – gebaseerd op het denkwerk van Europese filosofen. Federalisering is een vorm van samenwerking tussen landen waarbij de lidstaten soeverein en autonoom blijven maar enkele belangen die ze zelf niet (langer) kunnen behartigen in handen van een federaal orgaan leggen. Waar binnen federaties soms ernstige problemen ontstaan, zoals nu in Amerika, is dat niet terug te voeren op de constitutionele federale staatsinrichting maar op het ontbreken van ingebouwde verdedigingsmechanismen waardoor verkeerde personen de procedures van de democratie kunnen manipuleren om posities te verwerven ten eigen bate.

Sinds de komst van de eerste federatie in Amerika proberen duizenden burgers in Europa al tweehonderd jaar om een federaal Europa te vestigen. Dat is nog nooit gelukt, terwijl inmiddels 40% van de wereldbevolking in zevenentwintig federaties leeft. In die landen heeft men wél begrepen dat bij veranderende omstandigheden het maken van een federale staatsinrichting het beste instrument is voor het steunen van het streven naar geluk door de burgers.

Het ontwerpen van de methodologie
Tijdens mijn studie aan de juridische faculteit van de Rijksuniversiteit te Utrecht (1964-1968) leerde ik begrippen als soevereiniteit, democratie, trias politica, checks and balances, constitutionele monarchie, confederale en federale staten. Overigens zonder besef van hun werkelijke betekenis. Zoals de meeste studenten studeerde ik niet om mij te verdiepen, maar om op examens verplichte kennis te reproduceren om die daarna zo snel mogelijk weer te vergeten om in het hoofd ruimte te maken voor een nieuwe lading platte kennis voor het volgende examen.

In 1969 kreeg ik een baan bij een gemeente en leerde toen pas de diepere betekenis van beginselen van staatsrecht en bestuursrecht. Ik verbaasde mij echter over het feit dat men beleid maakte van bovenaf; vanuit de kennis, ervaring en dossiers van politici en ambtenaren; zonder raadpleging van betrokken burgers. Men maakte beleid zoals men dat al jaren deed. Naar eer en geweten, in de veronderstelling dat men op het gemeentehuis wel wist wat goed voor die burgers was. En dat is vandaag de dag niet anders.

In 1970 nam ik de uitnodiging aan om terug te keren naar de juridische faculteit om het onderwijs en onderzoek in de bestuurskunde op te bouwen. Toen pas ging ik studeren. Gesteund door omvangrijke bibliotheken ben ik het functioneren van overheden gaan analyseren. Ik ontdekte dat meer dan tien verschillende academische disciplines kennis bevatten die van toepassing is op het functioneren van overheden. Denk naast staats- en bestuursrecht aan bijvoorbeeld politieke/ theologische/humanistische filosofie, systeemtheorie, sociale psychologie, cybernetica, psychoanalyse, volkerenrecht, organisatietheorie, managementheorie, communicatietheorie, forensische psychiatrie, argumentatieleer, causaliteitsleer, formele logica, methoden en technieken van wetenschappelijk onderzoek en nog een paar die me nu niet te binnen schieten.

Door delen van die disciplines met elkaar te verbinden kon ik een methodologie ontwerpen voor resultaatgericht beleid maken, met volwaardige betrokkenheid van burgers en uitvoerders vanaf het allereerste begin van zo’n proces. Dus niet zoals het geval is met inspraak waarbij een overheid al heeft vastgesteld wat het probleem is en ook alvast de oplossing heeft bedacht. En vervolgens met de hakken in het zand gaat als insprekende burgers noch het probleem, noch de oplossing herkennen. Nee, ik heb het over beleid dat kan rekenen op draagvlak uit de samenleving en dat zich verzekerd weet van een actieve houding van de uitvoerders. Die methodologie – onder de naam ‘Samenlevingsbeleid’ – bestaat uit vier architecturen als de bouwstenen van een succesvol veranderingsproces:

  1. De architectuur van het doorbreken van de status quo. Die is nodig om een zodanig proces op te zetten dat er voldoende energie ontstaat om – zoals we dat noemen – een raket door de dampkring te jagen. Dus zoveel kracht ontwikkelen dat het beoogde proces de zwaartekracht weerstaat en niet terugvalt op de grond.
  2. De architectuur van doel stellen. Zonder zorgvuldige analyse en synthese worden in negen van de tien beleidsprocessen doelen geformuleerd conform de zogeheten ‘valkuil van het oplossingendenken’. Een doel is een oplossing voor een probleem. Zonder analyse (diagnose) van het probleem in zijn onderliggende oorzaken kan men geen werkbare synthese (therapie) voorstellen.
  3. De architectuur van doel bereiken. Als je op een methodisch zorgvuldige wijze het doel hebt vastgesteld wil het nog niet zeggen dat je dat dan ook zult bereiken. Deze architectuur staart zich niet blind op het te bereiken resultaat maar op het reduceren van onzekerheden die aan het resultaat in de weg staan.
  4. De architectuur van circulair beleid maken. In deze architectuur komen de drie voorgaande samen in daadwerkelijke toepassing in de volgende drie fasen.

A. Analysefase:
a. Samenstelling team: omvat team formatie, teambuilding, behuizing, materialen, apparatuur, budget.
b. Omgevingsanalyse: analyse van iedereen die erbij betrokken moet worden; het aantal is niet relevant; zijn het er dertig, oké; zijn het er dertigduizend, ook dan oké.
c. Consultatieronde: de sleutelfiguren uit de Omgevingsanalyse worden bij voorkeur één-op-één geconsulteerd door middel van een interview; ze worden, én blijven, bij het beleidsproces betrokken; naast één-op-één gesprekken hanteren we andere bevragingstechnieken voor grotere groepen mensen conform de methode van de zogeheten ‘nominale groep’.
d. Bloemlezing: wat de geraadpleegden inbrengen wordt zo letterlijk mogelijk vastgelegd en aan de geraadpleegden toegestuurd zodat ze zien dat er daadwerkelijk serieus met die inbreng wordt gehandeld.
e. Probleem- en oorzakenanalyses: het materiaal van de Bloemlezing wordt geanalyseerd op oorzakelijke ketens en hun gelaagde opbouw. Moraal: alleen als je het beleid concentreert op een aanpak van de onderste oorzakelijke lagen bereik je succes. Anders blijf je hangen in symptoombestrijding.
f. Expertmeetings: experts worden aan het werk gezet om eventuele blinde vlekken in de analyse op te sporen en ongedaan te maken.

B. Synthesefase
g. Visienota: in enkele pagina’s volgt een schets van het uiteindelijk te bereiken doel.
h. Strategische oplossingsrichtingen: zoals er meerdere wegen naar Rome leiden zijn er ook altijd meerdere oplossingsrichtingen.
i. Subdoelen: binnen die strategische oplossingsrichtingen zijn er tussendoelen. Voorbeeld. Als je vanuit Den Haag op weg gaat naar Rome – via België, Duitsland en Zwitserland – moet je als tussendoel zeker Maastricht of Brussel bereiken. Het bereiken van zo’n tussendoel is belangrijk omdat je dan twee dingen weet: je bent niet meer in Den Haag en je bent op de goede weg. Als je echter het bordje Hamburg ziet dan weet je ook twee dingen: je bent niet meer in Den Haag, maar wel op de verkeerde weg.
j. Concrete acties: het slot van het ontwikkelen van een circulair beleidsproces is vervat in een Actieboek. Het maken daarvan vereist bijzonder veel kennis en inzet anders worden het onzin-acties. De acties zijn gericht op het elimineren van de oorzaken die naar boven zijn gekomen bij de analyse.

C. Uitvoeringsfase
En dan pas begint het ‘echte’ werk: de concrete uitvoering van de concrete acties ter bereiking van de concrete tussendoelen, ter bereiking van het einddoel.
De methode wordt geleid volgens de beginselen van processturing, inclusief kennissturing en structuursturing onder het adagium: ‘Het proces is belangrijker dan het resultaat.’ En dat betekent dat je moet weten wat je nodig hebt en hoe je het moet doen.

De toepassing van deze methode in de praktijk
De constructie van de vier architecturen ontstond in de loop van de jaren zeventig. Eerst in ruwe contouren maar langzaam verfijnd door de bespreking hiervan met mijn bestuurskunde studenten en kleine projecten buiten de universiteit. Daardoor kreeg dat werk enige bekendheid, leidend tot een opdracht, in 1982, van de korpschef van de politie Amsterdam.

Door allerlei omstandigheden en ontwikkelingen was het korps verwikkeld in zaken van corruptie en fraude, had ruzie met het gemeentebestuur, het openbaar ministerie en met vele organisaties zoals het openbaar vervoer, de taxiwereld, de horeca, etc. De nieuwe korpschef had de opdracht om schoon schip te maken en – door zijn staf gesouffleerd over deze methodologie – zette mij aan het werk. Dat leidde tot een geheel nieuw korpsbeleid, een nieuwe organisatie en een nieuw management. Met een doorlooptijd van drie jaar. Het uit te voeren Actieboek omvatte ongeveer 150 projecten, vastgelegd in een Convenant, ondertekend door de burgemeester van Amsterdam, de minister van binnenlandse zaken, de minister van justitie, de hoofdofficier van justitie te Amsterdam en de korpschef zelf.

Deze opdracht deed mij besluiten om in 1983 de universiteit te verlaten. Vanaf dat moment is deze methode in tientallen projecten toegepast. Enkele voorbeelden:

  • Het Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer. In opdracht van de toenmalige Minister van Verkeer en Waterstaat is voor de Tweede Kamer een beleid ontwikkeld om doelen van verkeer en vervoer, van economie en van natuur- en milieu met elkaar te verenigen. Betrokkenheid van iedereen met gezag binnen economie, verkeer en vervoer, natuur en milieu. Het leidde in 1989 tot de val van het kabinet Lubbers II.
  • Begin jaren negentig een Europees structuurschema voor transnationaal verkeer en vervoer door alle landen van de toenmalige EEG, in opdracht van de Eurocommissaris voor Transport. Input van ministers, topambtenaren, captains of industry, experts en betrokken burgers door de hele wereld.
  • In de jaren negentig voor de gemeente Amsterdam – naast de strategie van politie en openbaar ministerie – het maken van een eigen gemeentelijke strategie met concrete acties ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Betrokkenheid uit alle sectoren en lagen van de samenleving.
  • Eveneens in de jaren negentig in opdracht van Rijkswaterstaat een beleid voor veiligheid voor alle interacties op de Noordzee: boten, vissers, toeristen, olie- en gasinstallaties, natuur en milieu.
  • Ook in de jaren negentig in opdracht van de Verenigde Naties (mede op aangeven van de EU) voor Bangkok een aanpak van de toenemende onleefbaarheid en verpaupering van dat deel van de stad waar het paleis van de Koning staat, enkele van de belangrijkste ministeries, de grootste markten en de mooiste tempels. Door gigantische mensenmassa’s en de uitstoot van gassen van voertuigen nam de leefbaarheid zienderogen af, konden ambtenaren hun werkplek niet bereiken, konden burgers hun voedsel niet halen op de markten, raakten tempels in verval en nam het toerisme af. De geschetste methode van werken is door de VN vervat in een instructie die door het VN-kantoor Bangkok is verspreid in de landen van Zuidoost-Azië.
  • Voor de regering van Suriname
  1. in opdracht van de minister van transport en communicatie een geïntegreerd verkeers- en vervoersbeleid;
  2. in opdracht van de minister van justitie en politie en van de minister van defensie, het ontwerpen van een geïntegreerd nationaal veiligheidsbeleid;
  3. in opdracht van de International Development Bank (IDB) een beleid tot versterking van de Surinaamse economie;
  4. in opdracht van de EU en het Suriname Business Forum een beleid tot verbetering van de zogeheten ‘ease of doing business’ conform de methodologie van de Wereld Bank;
  5. in opdracht van de vicepresident het ontwerpen van beleid tot vullen van hiaten in de wetgeving die krachtens de grondwet aanwezig zou moeten zijn, alsook het moderniseren van verouderde en vervallen wetgeving.
  • Meer recent, een onderzoek van de gemeente Voorst, naar de mogelijkheden om preventief te werken binnen het sociale domein om problemen te voorkomen die het geluk van (kwetsbare) inwoners ernstig dwarsbomen en die het financiële zwaard van Damocles – dat boven elke gemeente hangt – te verwijderen. Dit project werd voortreffelijk geleid door Koen van Bremen; hij is een van de oprichters van onze Coöperatie SamenWereld.

Ik laat het bij deze opsomming. Ze is alleen bedoeld om aan te geven dat deze methode op elk onderwerp van toepassing is, dus onafhankelijk van het beleidsterrein. Ze kan elke complexiteit aan, mits ….. er gewerkt kan worden zoals het hoort, dus volgens Standard Operational Procedures (SOP) die ik hierboven schetste.

Om kennis van deze SOP over te dragen heb ik tussen 1983 en 2000 vele meerdaagse cursussen verzorgd. In en buiten Nederland. Een van de cursisten was Peter Hovens. Hoewel anderen ook met deze methodologie gingen werken bleek Peter de enige te zijn die zich principieel hieraan verbond en zodoende mijn collega werd. Nu in 2019 acht hij de tijd rijp om met alle opgedane méér-kennis en ervaring een boek te schrijven over circulair beleid maken. Dat zal in 2020 worden gepubliceerd.

De relatie met het begrip ‘federalisering van Europa’
Nog verbonden aan de universiteit van Utrecht was ik in 1972 co-oprichter van de Vereniging voor Bestuurskunde en daarna als vice voorzitter belast met de portefeuille om in Nederland, en in internationaal verband, bestuurskunde opleidingen op te zetten. Het internationale werk vond plaats binnen het International Institute of Administrative Sciences (IIAS), de International Association of Schools and Institutes of Administration (IASIA) en de European Group of Public Administration (EGPA). 

In die verbanden leerde ik enkele Vlaamse collega’s kennen, verbonden aan diverse Belgische universiteiten. Met hen besprak ik de voortgang van de ingrijpende staatkundige hervormingen in België (gestart in 1960), bedoeld om de eenheidsstaat om te vormen tot een federale staat. Alleen door middel van een federale staat zouden Wallonië (Franstalig) en Vlaanderen (Nederlandstalig), en een klein Duitstalig gedeelte, kunnen blijven samenleven en samenwerken zonder op elkaar te gaan schieten. Toen pas leerde ik de intrinsieke betekenis van een federale staatsinrichting ter ondersteuning van de burgers in het nastreven van hun geluk. Omdat de principes van federalisering dus voortkomen uit dezelfde bron als het maken van beleid van onderop – namelijk uit het begrip ‘alle soevereiniteit berust bij het volk’ – ging ik naast het uitwerken van de methode van interactief beleid maken studeren op de elementaire bouwstenen van federalisering, toe te passen op het vestigen van een federaal Europa.

Om dichter bij het ingrijpende federaliseringsproces van België te komen besloot ik in 1996 te verhuizen naar België. Daar leerde ik een directeur van het Vlaamse ministerie van buitenlandse zaken kennen, Herbert Tombeur. Zijn kennis van federalisering vulde de hiaten die ondanks de intensieve studie over dit onderwerp bij mij waren ontstaan.

Mijn belangstelling ging vooral uit naar de manier waarop de eerste federale staat ter wereld werd opgericht door het werk van de 55 leden van de Conventie van Philadelphia in 1787, ondersteund door de 85 Federalist Papers van James Madison, Alexander Hamilton en John Jay tussen 1787 en 1788. Een van de zaken die aanspraken was het feit dat die Amerikaanse federatie was gebaseerd op het filosofisch denkwerk van Europese filosofen (Aristoteles, Althusius, Montesquieu, Rousseau) terwijl na 1787 steeds vergeefs was geprobeerd om ook voor Europa een federale staatsvorm te kiezen.

In 1999 schreef Robert Levine, een topambtenaar in de federale administratie van Amerika in de New York Times, dat de toenmalige EEG zichzelf geen dienst bewees om (krachtens het Verdrag van Maastricht in 1992) een monetaire unie op te richten zonder er eerst een federaal fundament onder te leggen. Hij stelde dat daarmee voor de euro een ongewisse toekomst werd georganiseerd en adviseerde om eerst zelf maar eens Federalist Papers te schrijven. Dat advies bleef lang hangen in de gesprekken tussen Herbert en mij. Omdat verder niemand in Europa zich dat advies had aangetrokken hebben wij besloten om dan zelf maar de European Federalist Papers te schrijven tussen augustus 2012 en mei 2013. In 26 Papers leggen we uit hoe slecht het verdragsrechtelijke intergouvernementele besturingssysteem van de EU is, waarom dat slecht is, wat de kracht van een federale staat is, waarom die in de plaats moet komen van het huidige systeem en hoe een knappe Europese federale constitutie eruitziet.

Resultaat? Nul. De politieke, wetenschappelijke en media-aandacht voor de manier waarop men een groep van landen moet besturen, die hun soevereiniteit en culturele identiteit willen behouden, maar bescherming willen vinden in een federaal orgaan dat hun gezamenlijke belangen behartigt was nul en is nog steeds nul.

Een Citizens’ Convention als verbinding tussen volkssoevereiniteit, circulair beleid maken en federalisering
Kijk nog eens naar de teksten hierboven over de verbinding tussen volkssoevereiniteit, circulair beleid maken en federalisering. Die verbinding slaat op wat men moet weten en hanteren voor een succesvol gecompliceerd veranderingsproces.

Volkssoevereiniteit is de fundamentele bron voor de creatie van een federale staat. Dat impliceert dat het volk zelf tekent voor een federale constitutie. Geen federale constitutie van, voor en door het volk? Dan ook geen federale staat. Maar dat tekenen – staatsrechtelijk heet dat ‘ratificeren’ – vereist een zodanige organisatie dat er garantie is voor twee zaken:

  • dat de constitutie daadwerkelijk van, voor en door de burgers is; dit impliceert het organiseren van fundamentele betrokkenheid van de burgers bij het omschrijven van de belangrijke inhoud van de constitutie;
  • dat de constitutie zelf perfect professioneel vakwerk moet zijn; dat impliceert dat goedwillende amateurs en dwaze beunhazen zich er niet mee mogen bemoeien.

Een Citizens’ Convention zoals die van Philadelphia in 1787 – een constitutionele en institutionele succesformule die zijn weerga niet kent – is het instrument om die twee garanties te bieden. In een boek dat u aan het slot van deze notitie ziet leg ik gedetailleerd uit hoe zo’n Conventie van 56 personen moet worden samengesteld, wat de opdracht is, hoe die moet worden uitgevoerd en welke rol en invloed in die uitvoering toekomen aan de burgers van Europa. Nu vermeld ik die rol en invloed door kortheidshalve te verwijzen naar onze methodologie van circulair beleid maken, zoals hierboven geschetst. Met die methodologie worden de burgers van Europa planmatig en systematisch betrokken bij de compositie van een federale constitutie. En dus niet door middel van goed bedoelde maar verkeerd georganiseerde verzamelingen van zogeheten ‘citizens’ assemblies’ die alleen maar quasi betrokkenheid kunnen realiseren omdat men methodologisch niet onderlegd is.

De noodzaak van verankeringen
Voortvloeiend uit het beginsel dat alle soevereiniteit berust bij de burger heb ik me vanaf 1970 dus beziggehouden met twee uitingen daarvan. In de eerste plaats de methodologie van beleid maken vanuit de samenleving zelf. In 2000 had ik er behoefte aan om mijn kennis – en de ervaringen met de toepassing daarvan – te verankeren in een trilogie. Hier ziet u de titelpagina’s. De twee eerste boeken zijn gratis te downloaden via de links: Beleid begint bij de samenleving en Vakvereisten voor Politiek en Beleid.

In het eerste boek legde ik de ervaringen met de methodologie vast, toegepast van begin jaren tachtig tot de eeuwwisseling. Het tweede boek bevat ongeveer 180 opstellen over geboden en verboden in politiek en beleid. Het derde boek is een onlinecursus om dit vak onder onze begeleiding te leren. De boogschutter met zijn pijl symboliseert dat je alleen je doel zult raken als je weet wat je allemaal moet doen voordat je de pijl laat gaan. Nu noemen we dat dus ‘circulair beleid maken’.

Ook het streven naar een federaal Europa is verankerd. Een van de belangrijkste oorzaken van het na tweehonderd jaar nog steeds ontbreken van een federaal Europa is de merkwaardige afwezigheid – ik meldde dit al – van een federatie van federalistische bewegingen. Hoeveel van dat soort bewegingen we ook hebben (gehad), het zijn allemaal gedecentraliseerd eenheidsbewegingen. Ze zijn nooit in staat en/of bereid geweest hun organisatiegraad te verhogen.

Federalistische organisaties die hetzelfde doel nastreven – in dit verband het vestigen van een federaal Europa – maar niet bereid zijn hun organisatiegraad te verstevigen zullen nooit hun doel bereiken. Daarom hebben zes personen, twee uit Italië (Lorenzo Sparviero en Mauro Casarotto), twee uit Frankrijk (Catherine Guibourg en Michel Caillouët) en twee uit Nederland (Peter Hovens en ik) in mei 2018 in Milaan de Federal Alliance of European Federalists (FAEF) opgericht. Die beoogt aan federalistische bewegingen en verder aan elke organisatie die een federaal Europa nastreeft, de bescherming van een federatie te bieden. Om op die manier kritische massa te maken door ‘Federating the Federalists’.

Een tweede doel dat we met FAEF nastreven is ‘Educating the Federalists’. We zien dat het op een zeer grote schaal ontbreekt aan gedegen kennis over wat een federatie is. Meningen genoeg, maar kennis ho maar. Politici die sinds het mislukte Verdrag van Maastricht van 1992 door begripsmatige onwetendheid onjuiste uitspraken doen over federalisering en een federaal Europa hebben bij burgers de mening doen ontstaan dat federalisering een slechte zaak is. Welnu, dat ligt op hetzelfde niveau als de bewering dat de aarde plat is en dat de zon om de aarde draait.

Ons doel is om de Verenigde Staten van Europa te creëren, waarbij we zo getrouw mogelijk het proces volgen dat zich in de 18e eeuw in Amerika heeft voltrokken. Zonder verhoging van de organisatiegraad van federalistische bewegingen en zonder het delen van de elementaire kennis die nodig is om een federaal Europa te maken, komen we geen stap verder.

Ook hier speelt de noodzaak tot verankering om te voorkomen dat ook dit federalistische initiatief van de FAEF wegspoelt in de reeks banaliteiten van de geschiedenis. Zie het logo van FAEF en mijn boek ‘Verbondenheid, Veiligheid en Voorspoed’ van 2018.

Om diepere kennis aan te bieden over federalisering heb ik een cursus ontwikkeld op de drie niveaus van het oude gildesysteem: leerling, gezel en meester.

Slot

President Bill Clinton maakte eens de volgende opmerking om het belang van economie te onderstrepen: “It is the economy, stupid.” Nu in vele landen in de wereld, en zeker niet alleen in Europa, de fundamenten van het begrip democratie eroderen is het tijd om een ander adagium te kiezen:

“It is NOT the economy, stupid. It is the sovereignty of the people,
organized within a true democracy,
based on a federal constitution,
under the rule of law.”

Democratiefestival: waarom is dat feestje?

Op 30 en 31 augustus heeft het Democratiefestival plaatsgevonden in Nijmegen. Ik moet eerlijk bekennen dat ik erover heb moeten nadenken. Wat is dit eigenlijk? En vooral waarom wordt dit georganiseerd? Wat is het doel precies?

Er is met de organisatie van dit evenement zo’n €1 miljoen gemoeid. Dat is een boel geld, maar als het dat waard is, dan moet het kunnen. Daarom nog maar een keer de vraag ‘Welk doel dient dit festival?’.

Op de website van het festival lees ik: ‘Democratie is niet vanzelfsprekend en heeft af en toe wat onderhoud nodig. Daarom vieren we op het Democratiefestival de democratie. We vieren dat we in een land leven waar iedereen zijn of haar mening mag geven, waar verschillen mogen zijn en waar we samen keuzes maken hoe moeilijk dat ook is. In steeds meer landen staat de democratie onder druk. De polarisatie lijkt het steeds meer te winnen van het compromis. Als we meer met elkaar praten en naar elkaar luisteren, komen we misschien wel dichter bij elkaar’.

Onze democratie is een groot goed en het staat inderdaad onder druk. Ik denk dat het handelen van politici in belangrijke mate bepaalt hoe de democratie wordt ervaren. Te veel mensen voelen zich buitengesloten, hebben afgehaakt en gaan niet meer naar de stembus. Er wordt niet naar hen geluisterd, over ‘beter naar elkaar luisteren’ gesproken.

Ik gok erop dat juist deze groep burgers zich niet op het festivalterrein heeft laten zien en dat de ergernis over het spenderen van overheidsgeld hieraan tot bepaalde uitingen (>-<: ‘@#%!’) heeft geleid. Zo neemt de polarisatie alleen maar toe.

Ik weet het, het klinkt weer treurig en verdrietig en weinig hoopvol.

Gelukkig heeft Shany Mor een meer optimistische visie op democratie. Hij laat zien in een essay in Tablet Magazine dat democratie zoveel meer is dan alleen maar het uitbrengen van een stem bij verkiezingen. Met de titel ‘Nobody Understands Democracy Anymore’ drukt hij uit dat we eigenlijk niet meer goed weten wat democratie nu precies betekent. Ik zou het begrip ‘rechtsstaat’ daaraan willen toevoegen.

Hij beweert dat we zaken als bestuur, volksvertegenwoordiging, wetgeving, rechtspraak, verkiezingen op een hoop gooien. We zien het onderscheid niet meer. Daarom kunnen we niet goed beoordelen hoe het met de democratie is gesteld.

  • En dat is niet raar als berichten in de krant verschijnen over een minister die zich (mogelijk) gemengd heeft in een specifieke rechtszaak.
  • En dat is niet verwonderlijk als politici ruzie maken en zich afsplitsen, wat leidt tot versplintering van politieke partijen.
  • En dat is niet gek als volksvertegenwoordigers met hun gezicht naar het bestuur staan en met de rug naar de samenleving en dus zelf bestuurdertje gaan spelen.
  • En dat is niet vreemd als wetten niet aan de Grondwet mogen worden getoetst.
  • En dat is niet maf als onze Grondwet niet eens een preambule bevat waarin de belangrijkste waarden zijn gedefinieerd, zoals de soevereiniteit van het volk.

In mijn Boek SamenWereld in wording ga ik nog een tijdje door met dit rijtje.

Wat hebben ze daar in Nijmegen eigenlijk zitten vieren?

Wat betekent ‘democratie’ trouwens voor jou?

Laat het me weten. Ik ben buitengewoon benieuwd.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld.

De brief van de burgemeester

Vorige week was Maxim Februari te gast bij VPRO’s Zomergasten. Hij liet fragmenten zien van de documentaire ‘De brief van de burgemeester’.

Deze documentaire uit 2014 gaat over een brief die de burgemeester van het Groningse dorp Finsterwolde stuurt aan bewoners van een buurt waar de omgeving verloedert, waar sociale problematiek heerst. Hij vertelt deze mensen dat hij zich zorgen maakt en dat hij de bewoners wil betrekken bij het oplossen van de problemen.

Een week later krijgen deze bewoners bezoek van een eigen-kracht-coördinator die met hen individuele gesprekken voert. Hieruit blijkt dat de buurtbewoners weliswaar negatieve verschijnselen waarnemen, maar zij ervaren die niet als een probleem. Ze zijn eigenlijk verbaasd over de brief.

Gaandeweg blijkt er toch wel een en ander aan de hand te zijn en raken de bewoners betrokken bij de vraagstukken. Tijdens een bewonersavond wordt alles nog eens op een rijtje gezet. Mooi om te zien dat er verbinding tussen de mensen is ontstaan: groepsgevoel en verantwoordelijkheidsbesef.

Dan is het schrikken, want de coördinator neemt na afloop van deze avond afscheid van de mensen en laat hen aan hun lot over. Maar dat pakt goed uit, want de bewoners worden zelf actief en steken de handen uit de mouwen om de verloedering aan te pakken en contacten met moeilijk bereikbare medebewoners te leggen.

Maar ze zijn ook afhankelijk van een woningbouwcorporatie. Wat een moeizame weg om daarmee te communiceren. Een directeur die de taal van het volk niet spreekt.

En de relatie met de overheid? Er is geen wethouder te bekennen noch een raadslid die zich de zorgen van de bewoners aantrekt. En de burgemeester? Hij heeft de boel weliswaar aangezwengeld, maar voor de rest zien we hem alleen maar in het filmpje op het moment dat hij een afvaardiging van de bewoners ontvangt in het gemeentehuis?

Waarom gaat deze burgervader niet naar de mensen toe?

De bewoners blijven vooralsnog – ondanks de positieve ontwikkelingen – hangen in de modus ‘eerst zien dan geloven’. Dat is hardnekkig, maar begrijpelijk, vertrouwen komt immers te voet.

Een omslag in het denken is nodig. En dat is vreselijk lastig. Dat geldt ook voor bewoners die eigen verantwoordelijkheid moeten nemen, maar de neiging hebben om te blijven leunen op de overheid. Dat is best een moeilijk proces, waarbij de mensen – zeker in het begin – een steuntje in de rug nodig hebben.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

De Raad van State grijpt in: mooi toch?

De Raad van State heeft op 29 mei dit jaar een uitspraak gedaan over de toepassing van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). PAS bevat de basis om toestemming te geven voor activiteiten die stikstof uitstoten.

Deze uitspraak betekent dat toestemming pas mogelijk is wanneer vooraf vaststaat dat maatregelen om de gevolgen van stikstof op natuurgebieden te verminderen daadwerkelijk worden getroffen. Daar werd tot nu toe veel te soepel mee omgegaan.

De gevolgen van de uitspraak zijn enorm groot. Vele in voorbereiding zijnde (ruimtelijke) plannen staan nu op losse schroeven. NRC opende woensdag de krant met de melding dat er een streep was gehaald door bouwplannen voor een nieuwbouwwijk (470 woningen) in Roermond.

Dat hakt er stevig in. Maar wat vind ik hier dan zo mooi aan?

Het gaat mij niet om de inhoudelijke kant van deze kwestie, maar om het volgende.

We kennen allemaal de scheiding der machten, de leer van de Trias Politica, waar Montesqieu beroemd om is geworden. De wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht zijn van elkaar gescheiden, al doen we dat in Nederland niet volgens het boekje.

Bij ons vormt de regering de uitvoerende macht en maakt tegelijkertijd deel uit van de wetgevende macht. In mijn Boek SamenWereld leg ik verder uit wat daar ongelukkig aan is en waarom we een voorbeeld kunnen nemen aan de Verenigde Staten van Amerika.

Wat minder bekend is, dat is dat we – gelieerd aan de Trias – het systeem van checks and balances kennen, dat ervoor zorgt dat de drie machten elkaar in evenwicht houden. Het voorkomt dat een van de machten gaat domineren.

Dat is gebeurd met de uitspraak van de Raad van State die ervoor zorgt dat de juridische macht de uitvoerende macht begrenst door confrontatie met de normen van de wetgevende macht. In dit concrete geval gaat het over de Europese Habitatrichtlijn.

Zo houden we de boel in balans en vliegt er niemand uit de bocht: mooi toch?

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

De burger centraal?

Ik lees heel vaak bij beleidsvoornemens van overheden en maatschappelijke organisaties: ‘De burger/klant staat centraal.’

Dat klinkt heel mooi, bijna als een open deur, maar helaas is dat dikwijls een holle frase. Als je de burger echt centraal zet dan kun je niet anders dan je beleidsproces bij die burger starten.

En juist dat gebeurt zelden. Meestal komt de burger pas in een laat stadium in beeld, dan staat het beleid – ‘met de burger centraal’ – al in de steigers. In zo’n geval is de burger niet meer dan een object, terwijl in mijn ogen de burger het subject moet zijn.

Ik heb de afgelopen week weer kennisgenomen van zo’n staaltje overheidsbeleid. Je hebt waarschijnlijk ook wel meegekregen dat Minister Bruins voornemens was om een wet te introduceren waarbij er onderscheid wordt gemaakt tussen mbo- en hbo-verpleegkundigen. Dat voorstel is nu in de ijskast beland vanwege hevig protest van de zijde van verpleegkundigen.

Dan vraag ik me weer af hoe zoiets mogelijk is. Er wordt een wet gemaakt ten behoeve van de verpleegkundigen en vervolgens verzet deze doelgroep zich daartegen.

Vakbonden en beroepsorganisaties zijn weliswaar betrokken geweest bij de voorbereiding, maar niet de verpleegkundigen zelf. Zeg maar zij die zorgen voor de handen aan het bed. Nu weet ik eerlijk gezegd niet of de Minister ooit geroepen heeft: ‘De verpleegkundige staat centraal’, maar dat terzijde.

Ik heb een aantal dagen geleden een gesprek gevoerd met een potentiële opdrachtgever die met mij wilde praten over een opdracht om een visienota op te stellen. En ook zij had het over ‘de klant centraal’. 

Voor haar betekent dit dat zij geen zaken wil doen met adviesbureaus, die het allemaal zo goed weten en geen boodschap hebben aan de burger. Die consultants hebben immers de wijsheid in pacht en de blauwdrukken liggen in hun bureaula.

Dan mogen burgers op een later moment ook een keer hun zegje doen. Ze kunnen dan opdraven tijdens een informatieavond, het een en ander roepen en wat van die geeltjes plakken op een aantal van tevoren bedachte stellingen ‘om de avond in goede banen te leiden’. 

Gelukkig zijn er dus ook nog gezagsdragers die er anders tegenaan kijken. Beginnen bij het begin en dat is bij de burger: de burger centraal.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Zetelroof: mag het wel of mag het niet?

Naar aanleiding van mijn bericht van vorige week over de band tussen kiezer en gekozene heb ik aardig wat reacties gehad. Een van de reacties betrof de ergernis over de versplintering in de politiek. 

Dat was trouwens niet de eerste keer dat iemand deze ergernis uitsprak, ook al eerder naar aanleiding van andere berichten. Kennelijk een gevoelig punt.

Ik denk dat ons democratisch stelsel gebaat is bij helderheid en overzichtelijkheid. Ingewikkelde toestanden, daar zit niemand op te wachten en draagt niet echt bij tot vertrouwen in het systeem.

Stembiljetten die onderhand op A0 moeten worden geprint zijn vooral voor kiezers die op het laatste moment in het stemlokaal nog de knoop moeten doorhakken een verschrikking.

Het politieke landschap wordt onoverzichtelijk wanneer vele politieke partijen daar deel van uitmaken. In onze coalitiedemocratie zijn mogelijk (te) veel partijen nodig om een meerderheid te vormen. Dat maakt het ingewikkeld.

De belangrijkste oorzaak van de versplintering is misschien nog wel de zogenaamde zetelroof. De situatie dat een gekozene al dan niet vrijwillig zijn fractie verlaat en zijn – mede dankzij partijstemmen verkregen – zetel niet teruggeeft aan zijn politieke partij.

Het verschijnsel is juridisch niet te voorkomen of je moet al het grondwettelijk beschermd beginsel, dat elke volksvertegenwoordiger kan stemmen zonder last, geweld aandoen. Hier moeten we echt met onze vingers van afblijven.

Zetelroof is bepaald geen vertrouwenwekkend verschijnsel en doet de democratie geen goed. Alhoewel? Ik ben hierover eens gaan lezen en nadenken.

Ik kan je verklappen dat ik er wat genuanceerder tegenaan ben gaan kijken.

Al met al vind ik zetelroof nog steeds een vervelend verschijnsel, maar ik heb wat minder hekel gekregen aan de zetelrover en wat meer aan het systeem dat die zetelroof in de hand werkt.

Ik heb een en ander beschreven in een paragraaf die ik ga opnemen in mijn Boek SamenWereld. Die paragraaf kun je hier lezen.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld.

Band tussen kiezers en gekozene: het kiesstelsel

Ik heb vorige week de vraag aan je voorgelegd wat je vindt van het voorstel van de Commissie Remkes om kiezers de gelegenheid te geven om bij verkiezingen een stem op een partij of een stem op een kandidaat uit te brengen.

Iemand reageerde met de opmerking dat dit toch logisch is. Daar zit juist bij veel wijzigingsvoorstellen de pijn. Dingen lijken logisch en vanuit die logica wordt een nieuwe weg bewandeld. Net zoals een referendum een logisch instrument lijkt uit een oogpunt van democratie, is het dat niet.

Het punt is dat je zonder een gedegen analyse de (vermeende) logica niet kunt aantonen. Dat is ook de makke van het rapport van Remkes. Er worden maatschappelijke ontwikkelingen geschetst die de democratie onder druk zetten, maar nergens wordt een verband aangetoond tussen het kiesstelsel, zoals we dat nu hebben, en de kracht of zwakte van de band tussen kiezer en gekozene.

Daarmee komt het hierboven genoemde voorstel uit de lucht vallen. Gemakshalve heeft de commissie aansluiting gezocht bij een voorstel dat in 2006 door het Burgerforum kiesstelsel werd gedaan:

 ‘De gedachte van het burgerforum was dat een kiezer bij een stem op een partij aangeeft dat hij of zij de ideeën van die partij steunt en bovendien vertrouwen heeft in de door die partij opgestelde lijstvolgorde. Bij een voorkeurstem geeft de kiezer volgens het burgerforum gericht aan dat hij of zij een bepaalde kandidaat graag in de Tweede Kamer ziet. De voorkeurdrempel (in het bestaande kiesstelsel 25 procent van de kiesdeler) zou in het voorstel van het burgerforum komen te vervallen.’ (Bron: parlement.com)

In dat nieuw voorgestelde systeem is het mogelijk dat kandidaten met minder voorkeursstemmen worden gekozen dan in het huidige systeem met voorkeurdrempel. Dan denk ik, hoezo sterkere band tussen kiezer en gekozene? Bovendien wordt het de kiezer ook nog een keer moeilijk gemaakt.

Het gaat wat mij betreft trouwens niet om een een-op-een-band tussen een politicus en een kiezer, maar over de band van gekozenen met het volk. Ik pleit ervoor om de rol die politieke partijen spelen – of moet ik zeggen speelden – weer te verstevigen. Ze zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor de kwaliteit van de kandidaat-volksvertegenwoordigers, via scouting, opleiding en selectie.

Een van de kwaliteiten van een volksvertegenwoordiger zit opgesloten in deze benaming: in staat zijn om het volk te vertegenwoordigen. Dit behoort dan ook een belangrijk criterium te zijn bij het selectieproces van politici die een actieve rol willen spelen in het openbaar bestuur.

Ik kies daarom voor om het bestaande kiesstelsel op dit punt intact te laten. Dit stelsel biedt ook zeer wel de mogelijkheid om persoonsgericht te stemmen.

Ik heb deze week de paragraaf ‘De band tussen kiezer en gekozene’ geschreven dat een plek krijgt in mijn boek. Daar ga ik wat dieper op het vraagstuk in. Je kunt het hier lezen.

Reacties zijn natuurlijk weer welkom.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Weet jij wat verstandig is?

Heb je mijn bericht van vorige week gemist? Dat kan kloppen. Ik ben er vanwege de drukte rondom mijn verjaardag niet aan toegekomen.

Enkele weken geleden vroeg Omar mij: ‘Wat vind jij eigenlijk van het voorstel van de Commissie Remkes om kiezers in de gelegenheid te stellen om bij verkiezingen een stem op een partij óf op een kandidaat uit te brengen?’

Ik antwoordde hem dat ik het niet wist, maar dat ik er wel over zou gaan nadenken. In mijn boek gaat het immers voor een belangrijk deel over de verhouding tussen het volk en de volksvertegenwoordiging. Ik moet dus wel een antwoord geven op die vraag.

De Commissie Remkes is de Staatscommissie parlementair stelsel die het Kabinet eind vorig jaar adviseerde over aanpassingen aan democratie en rechtsstaat. Het adviesrapport heeft de titel Lage drempels, hoge dijken meegekregen.  

Een de adviezen betreft een aanpassing van het kiesstelsel zoals hierboven verwoord en hieronder afgebeeld (afbeelding afkomstig uit het adviesrapport, p. 104).

Is een dergelijke aanpassing nu verstandig of niet? Dat is de vraag. 

Ik heb de neiging om te zeggen van niet. Maar zo kan ik me er niet van afmaken. Ik moet een helder standpunt innemen, gebaseerd op geldige argumenten.

Ik zal snel het antwoord op die vraag gaan formuleren en dat volgende week met je delen.

Heb je goede argumenten voor of tegen? Laat het me weten. Dat maakt het mij gemakkelijker … of misschien wel moeilijker.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

We hebben verloren, we hebben gewonnen

De Oranje voetbalvrouwen hebben de finale van het WK verloren. En dan hebben we dus verloren. Dat vinden zelfs mannen die het vrouwenvoetbal zo’n beetje gedogen.

Frans Timmermans heeft niet zijn gewenste positie bij de Europese Commissie gekregen en dus heeft hij verloren. En dan voelt dat voor ons ook alsof we verloren hebben. Er zijn zelfs mensen die niet zo’n fan van hem zijn die dat voelen.

Maar gelukkig hebben we ook gewonnen. Want we hebben dankzij Mike Teunissen het geel in de Tour de France.  Zelfs mensen die het niet kunnen opbrengen om naar wielrennen te kijken hebben gewonnen.

Oh ja, Max heeft vorige week natuurlijk ook gewonnen. Was ik bijna vergeten, maar dat mag niet, want we hebben gewonnen.

Dat We-gevoel dat kennelijk erg sterk is houdt rechtstreeks verband met onze identiteit. We vinden het belangrijk om ergens bij te horen, ergens deel van uit te maken. Iets waarmee we ons kunnen vereenzelvigen.

In de politiek zie je dat ook. Ik noem vier voorbeelden.

Bij verkiezingen wordt veel op personen gestemd en lokale politieke partijen weten een groot deel van het electoraat voor zich te winnen. Want die zijn van ons.

Bij de samenstelling van kandidatenlijsten voor landelijke verkiezingen wordt ook altijd streng gekeken of die van ons ook wel een goede plek op de lijst hebben gekregen.

Het fenomeen is ook herkenbaar als provincies buiten het Randstedelijk gebied het hebben over het ‘Randstadkabinet’. Dan voelen we ons achtergesteld.

Ik heb enkele jaren geleden een onderzoek gedaan naar de ervaringen van 10 jaar demografische krimp op de agenda. Toen hoorde ik ook het geluid dat ze in Den Haag niet snappen wat er bij ons in de krimpregio’s aan de hand is.

Met andere woorden ‘identiteit’ speelt in de politiek een belangrijke rol. Ken je trouwens het boek Identiteit van Paul Verhaeghe? Een aanrader.

Natuurlijk besteed ik in mijn Boek Samenwereld ook aandacht aan dit verschijnsel. Ik zal zelfs een voorstel doen om ons kiesstelsel in verband hiermee aan te passen.

Heb je nog tips voor mij? Ik hou me aanbevolen.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

De kunst van politiek

De afgelopen week is het rapport Denkend aan Nederland van het Sociaal en Cultureel Planbureau via de media volop in de aandacht geweest. Je weet wel, dat onderzoek naar de identiteit van de Nederlander.

Wat mij vooral opviel waren de volgende twee bevindingen:

  1. Het meest genoemde negatieve kenmerk van Nederland is: ‘de politiek’;
  2. De meest genoemde bedreiging voor ons land: ‘dat tegenstellingen tussen groepen groter worden’.

In het artikel Politici wilden luisteren, maar zagen alleen nog boze burgers, in NRC van 26 juni betogen de schrijvers dat politici burgers willen bereiken door hun veronderstelde zorgen te benoemen, maar dat ze daarmee het tegendeel bereiken. Ze vergroten juist de afstand.

Anders gezegd, het meest negatieve kenmerk ‘de politiek’ veroorzaakt de meest genoemde bedreiging ‘polarisatie tussen groepen burgers’. Dat is nogal wat.

Johannes Althusius (Duitse politiek filosoof die leefde van 1563 tot 1638) omschreef politiek als de ‘kunst van het samenbrengen van mensen’ met als doel het ‘vestigen en onderhouden van een sociaal leven’.

Indachtig het SCP-onderzoek stel ik vast dat de dames en heren politici vandaag de dag de kunst van politiek niet machtig zijn.

Om heel eerlijk te zijn schrik ik hier niet van. Sterker, deze constatering is een van mijn drijfveren om mijn Boek SamenWereld te schrijven. 

Ik ben ervan overtuigd dat het zoveel beter kan. Het spelen van de zogenaamde politieke spelletjes maakt het politieke vak nodeloos ingewikkeld. 

Om een voorbeeld te noemen. Het ‘luisteren’ dat in de titel van het aangehaalde artikel wordt genoemd is ‘geen echt luisteren’.

Dat luisteren heeft alleen een strategische bedoeling, namelijk het vergaren van zoveel mogelijk stemmen. Het gebeurt niet om kennis te verkrijgen over de werkelijkheid, die schuilgaat achter de zorgen die mensen uiten. 

In zo’n situatie is het ook niet mogelijk om haalbare en effectieve maatregelen te treffen, die de zorgen van burgers oplossen of verzachten. Dat is wat mensen verwachten dat politici en bestuurders voor elkaar krijgen.

Peter Hovens
Coöperatie SamenWereld

Powered by WishList Member - Membership Software